Algemene regels

Hoofdstuk 1: Inleiding

Op grond van hoofdstuk 3 van de Keur, is het verboden zonder vergunning iets te doen dat verboden is in dit hoofdstuk. Op grond van artikel 1.4 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regels is hiervan gebruik gemaakt.

 

Opbouw van de Algemene regels 

In deze algemene regels wordt onder het kopje criteria aangegeven wanneer de algemene regel geldt. Onder het kopje voorschriften wordt vervolgens aangegeven waaraan voldaan moet worden bij toepassing van de algemene regel. Daar waar de mogelijkheid bestaat maatwerkvoorschriften te stellen is dit aangegeven volgend op de voorschriften. Indien er sprake is van een meldplicht dan wel mededelingsplicht is dit in de algemene regel afzonderlijk aangegeven. Tenslotte is onder het kopje toelichting de vrijstelling gemotiveerd en verder uitgewerkt. Ook zijn hier de begrippen, naast de begrippen uit de Keur, die in deze algemene regels onveranderd van kracht blijven, per algemene regel specifiek toegelicht.

 

Privaatrechtelijke toestemming

De toepassing van de algemene regels staat los van de privaatrechtelijke toestemming die benodigd is om gebruik te maken van eigendommen van het waterschap.

 

Wat melden

Per activiteit is afgewogen of een melding nodig is. Alleen bij bepaalde activiteiten is er daarom een meldplicht of mededelingsplicht opgenomen. In de melding wordt beschreven wat  initiatiefnemer gaat doen, hoe het werk wordt uitgevoerd en wanneer het wordt uitgevoerd. De gegevens zijn altijd nodig. Ze worden gebruikt om te toetsen of maatwerkvoorschriften nodig zijn. In de meeste gevallen zal dit niet nodig zijn, maar in sommige gevallen kan het waterschap met aanvullende eisen komen om wateroverlast of –schaarste te voorkomen. 

 

Leeswijzer

De algemene regels zijn per activiteit en/of soort werk beschreven en zijn opgebouwd uit verschillende onderdelen welke tezamen de algemene regel vormen. Er kunnen verschillende algemene regels van toepassing zijn op een werk en/of activiteit.

Het is ook mogelijk dat voor één of meerdere onderdelen van het werk en/of activiteit ook een watervergunning dient te worden aangevraagd. Voor een werk en/of activiteit in of nabij een oppervlaktewater is dan ook altijd de Keur, algemene regels, beleidsregels en legger relevant.

Hoofdstuk 2: Overgangsrecht

Indien activiteiten direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een vergunning krachtens artikel 3.1 van de Keur is verleend, worden de voorschriften van die vergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 1.4, vierde lid, van de Keur.

Hoofdstuk 3: Bijkomende tijdelijke werken en werkzaamheden in b-wateren

Artikel 3.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3 van de Keur voor bijkomende werken en werkzaamheden in b- wateren voor zover deze niet langer dan 2 weken duren en nodig zijn voor het realiseren van activiteiten die genoemd zijn in de algemene regels Keur.

Artikel 3.2: Voorschriften

Voorschriften

1.

De waterafvoer van de aangrenzende/omliggende percelen moet te allen tijde gewaarborgd blijven, en

2.

Alle materialen die vrijkomen bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden moeten verwijderd worden,

3.

De bijkomende werken en werkzaamheden mogen niet langer dan 1 week aanwezig zijn.

Artikel 3.3: Toelichting

Motivering:

Onder dit artikel wordt vrijstelling gegeven voor tijdelijke werkzaamheden van geringe omvang die nodig zijn om andere algemene regels te kunnen uitvoeren. Een voorbeeld hiervan is het tijdelijk afdammen van een watergang om een dam met duiker aan te kunnen leggen.

De algemene regel geldt ook voor b-wateren die in de beschermingszone van de keringen liggen.

Hoofdstuk 4: Activiteiten en werken in en nabij c-wateren

Artikel 4.1: Criteria

Criteria

1.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor handelingen en werken in c-wateren.

2.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het verbreden of geheel of gedeeltelijk dempen van c-wateren.

3.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen van c-wateren, voor zover :

-

deze handeling plaatsvindt in overig gebied, en

-

door het graven geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken, en

-

deze niet plaatsvindt in een beschermingszone.

4.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen van een poel in beschermd gebied Keur voor zover:

-

de poel een oppervlakte heeft van max. 5.000 m2, en;

-

de poel niet dieper is dan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) en max. 1,20 meter diep, en;

-

de poel een taludhelling heeft van:
aan de noordzijde minimaal 1:5;
overige taludhellingen minimaal 1:3.

Artikel 4.2: Toelichting

Begripsbepaling:

Overig gebied: gebied niet aangewezen als beschermd op de Keurkaarten

Beschermd gebied Keur: gebied zoals aangewezen op de Keurkaarten waaronder begrepen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, wijstgebieden, beperkt beschermde gebieden en beekdalen.

Poel: een relatief klein oppervlakte water met een natuurdoelstelling, in hoofdzaak een ecologische functie ten behoeve van amfibieën. Een poel als geïsoleerd water heeft weinig invloed op de waterhuishouding als geheel. Het maximale oppervlak wordt bepaald van insteek tot insteek.

Motivering :

Het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een werk in een c-water heeft een zeer gering effect op de waterhuishouding. Daarom is voor het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een zodanig werk geen vergunning op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur vereist, en hoeft ook geen melding te worden gedaan. Het aanleggen, verbreden of verdiepen van een C-watergang kan echter wel dermate hydrologische effecten tot gevolg hebben dat de afvoernorm wijzigt. Dit kan invloed hebben op de categorisering in de legger. Het kan zijn dat sprake is van de aanleg van een b- of zelfs a-watergang. Dit is mogelijk vergunningplichtig. De legger zal hier ook op aangepast worden.

Dit artikel is niet van toepassing op waterkeringen en bijbehorende beschermingszones A en B.

Daar komt bij dat niet alleen de Keur regels stelt. Iemand die een c-water aanlegt, wijzigt, dempt of heeft, heeft ook te maken met het Burgerlijk Wetboek, en dan vooral met het burenrecht. Burenrecht gaat over de bevoegdheden en verplichtingen van eigenaren van naburige erven, buren dus. Het burenrecht kent een aantal regels over water en waterlopen. Zo moeten bv lagere erven het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt. Een andere regel is dat buren niet in een mate of op een wijze veranderingen mogen aanbrengen in een waterloop, wanneer dit een onrechtmatige daad tot gevolg heeft. Dat wil zeggen een inbreuk op een recht die schade veroorzaakt en die schade toerekenbaar is aan de veroorzaker. In dat geval kan degene die schade meent te lijden door het handelen van de buren, de burgerlijke rechter verzoeken die buren te verplichten om bv de aangebrachte verandering is de waterloop ongedaan te maken, of om een schadevergoeding te betalen.

De aanleg van poelen komt frequent voor in het beheergebied van het waterschap. Het accent ligt hierbij op de natuurfunctie. Een poel als geïsoleerd water heeft weinig invloed op de waterhuishouding als geheel. Om die reden wordt, onder bepaalde voorwaarden, vrijstelling verleend voor de aanleg van poelen.

Hoofdstuk 5: Kortdurende activiteiten en werken in en nabij a-wateren

Artikel 5.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor tijdelijke activiteiten en werken in en nabij a-wateren en daarbij behorende beschermingszones, indien en voor zover: deze werken voor de duur van ten hoogste één week aanwezig zijn.

Artikel 5.2: Voorschriften

Voorschriften

1.

Degene die werken maakt als bedoeld in het eerste artikel brengt na uitvoering daarvan het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone terug in de staat zoals deze voor uitvoering van de activiteiten en/of werken aanwezig was, en

2.

De waterafvoer van de aangrenzende/omliggende percelen moet te allen tijde gewaarborgd blijven, en

3.

Alle materialen die vrijkomen bij het uitvoeren van de werken en werkzaamheden moeten verwijderd worden, en

4.

Het bestuur kan aanwijzing geven ten aanzien van uitvoering en locatie van de werken als bedoeld in het eerste artikel.

Artikel 5.3: Melding

Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste artikel meldt dit ten minste acht weken voor aanvang aan het bestuur.

Artikel 5.4: Toelichting

Motivering:

Dit artikel bevat algemene regels voor kortdurende activiteiten in of langs a-wateren. Deze activiteiten kunnen, naast tijdelijke werken, ook bestaan uit ‘evenementen’ in of langs het water. Het waterschap heeft daartegen geen bezwaar gezien het beperkte effect op de watergang en de bijbehorende doelstellingen van de watergang. Hierbij is het wel van belang dat de watergang en de beschermingszones na afloop in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht.

In verband met doelmatig beheer en onderhoud is een meldplicht opgenomen. Indien het noodzakelijk is kan het waterschap aanwijzingen geven ten aanzien van de uitvoering en locatie van de werken. Hiermee wordt eventueel negatief effect op de watergang en de daarbij behorende doelstellingen beperkt. Het waterschap zal de initiatiefnemer naar aanleiding van een melding tevens nader informeren over eventuele veiligheidsaspecten (met name in het geval van een evenement).

Onder een vaarevenement wordt verstaan iedere vorm van georganiseerde groepsactiviteit waarbij gebruik gemaakt wordt van één of meerdere vaartuigen, vlotten of drijvende voorwerpen, zowel eenmalig als wederkerend van aard. Varen met bijvoorbeeld een roeiboot of een kano wordt door dit artikel niet verboden. In die gevallen waar het wenselijk is varen geheel te verbieden, kan dat verboden worden door het nemen van een verkeersbesluit op grond van de Scheepvaartverkeerswet. Hieronder wordt kort uitgelegd hoe de bevoegdheidsverdeling is geregeld.

Het waterschap is bevoegd regels te stellen in het belang van het waterbeheer; dat doet het waterschap in de Keur en in deze algemene regels. Daarnaast kan het waterschap op grond van de Scheepvaartverkeerswet regels stellen voor wateren die tevens scheepvaartwegen zijn in de zin van de Scheepvaartverkeerswet. Die regels zien niet op het waterbeheer maar bijvoorbeeld op de instandhouding van de vaarweg als verkeersroute, de bescherming van de waterhuishouding, de oevers en waterkeringen en op de bescherming van in of boven de vaarweg aanwezig werken tegen schade door scheepvaart.

De bevoegdheden van het waterschap ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de bevoegdheid als waterbeheerder kunnen elkaar op dit punt overlappen. Bij strijdigheid prevaleert de Scheepvaartverkeerswet.

Een aantal oppervlaktewaterlichamen heeft naast een functie voor de water aan- en afvoer ook een scheepvaartfunctie. Met betrekking tot scheepvaart moet onderscheiden worden: het vaarwegbeheer en het nautisch beheer.

Vaarwegbeheer: Onder vaarwegbeheer wordt verstaan: de aanleg en het in stand houden van de infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor gebruik van het water door de scheepvaart. In de Verordening Water Noord-Brabant heeft de provincie het waterschap belast met het vaarwegbeheer over de daarin opgenomen vaarwegen.

Nautisch beheer: Nautisch beheer is het reguleren van het scheepvaartverkeer op basis van de Scheepvaartverkeerswet. De Scheepvaarverkeerswet en het daarop gebaseerde Binnenvaartpolitiereglement regelen het verkeer op vaarwegen. De nautisch beheerder is bevoegd regels te stellen. De aanwijzingen zoals vermeld in lid 2 van deze algemene regel kunnen derhalve ook betrekking hebben op scheepvaartaspecten (veiligheid, geen belemmering, etc.).

Hoofdstuk 6: Profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.1: Critera

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, derde lid van de Keur voor het plaatsen, wijzigen of behouden van werken binnen het profiel van vrije ruimte, voor zover deze werken niet onomkeerbaar zijn of het een onomkeerbaar werk betreft en deze niet in vorm en afmeting verandert.

Artikel 6.2: Voorschriften

Degene die werken plaatst, wijzigt of behoudt als bedoeld in het eerste artikel, verwijdert deze op eigen kosten op eerste aanzegging door of namens het bestuur.

Artikel 6.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Niet onomkeerbare werken: werken die op eenvoudige wijze te verwijderen of te verplaatsen zijn.

Motivering:

Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die het uit te voeren beekherstel ernstig belemmeren of onmogelijk maken.
Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.

De vrijstelling is slechts van toepassing voor ingrepen die geen onomkeerbaar karakter hebben in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone.
Onomkeerbaarheid is gekoppeld aan de mogelijkheid om de werken op eenvoudige wijze te verwijderen of te verplaatsen. Als een werk eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

In ieder geval worden de volgende werken als onomkeerbaar aangemerkt:
- nutsleidingen;
- bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten;
- infrastructurele werken.
Dergelijke werken vallen dan ook niet onder de vrijstelling.

Op het moment dat het waterschap beekherstel gaat uitvoeren, zal de eigenaar van de werken verplicht worden om de werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.

Hoofdstuk 7: Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken

Artikel 7.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 3.1 eerste lid voor het voor het aanleggen en behouden en verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of een overhangend bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

1.

het een b-water betreft, of

2.

het een a-water betreft dat:

-

geen vaarweg is, en

-

waarvan het onderhoud van de betrokken oppervlaktewaterlichamen blijkens de legger uitsluitend vanaf het water gebeurt, en

-

geen vastgestelde ecologische functie heeft.

Artikel 7.2: Voorschriften

Voorschriften

1.

De steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in a- en b-water, mag geen belemmering veroorzaken van de waterafvoer;

2.

Tav de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in a-water, zoals genoemd in lid 2 geldt tevens:

-

De steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk belemmeren het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet, en

-

onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval, en

-

de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk verkeert voortdurend in goede staat van onderhoud, en

-

de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is vrijstaand en rust niet op - of vindt geen steun aan - oeverwerken, schanskorven, beschoeiing en dergelijke. Ter ondersteuning van de steiger, vlonder of boothelling boven het oppervlaktewaterlichaam mogen alleen palen in het oppervlaktewaterlichaam aangebracht zijn, waarbij ten hoogste één paal per strekkende meter is aangebracht, en

-

er is een minimale doorvaarbreedte gewaarborgd van 3,50 meter in het midden van het oppervlaktewaterlichaam, en

-

de steiger of vlonder of overhangend bouwwerk steekt, met inachtneming van de minimale doorvaarbreedte, maximaal 1,00 meter uit, gemeten uit de insteek, en

-

de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is maximaal 5 meter breed, en

-

de afstand ten opzichte van andere steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken of ondersteunende kunstwerken langs dezelfde oever bedraagt minimaal 5 meter, en

-

de steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is ten behoeve van groot onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk op aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur, door de eigenaar/gebruiker verwijderd.

3.

De steiger, vlonder of overhangend bouwwerk die niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeerd, wordt terstond verwijderd.

4.

Wanneer steiger, vlonder of overhangend bouwwerk is verwijderd wordt het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam vloeiend aangesloten. De taludbegroeiing wordt eveneens hersteld.

Artikel 7.3: Begripsbepaling:Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat

Begripsbepaling:

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst.

Steiger: constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel.

Vlonder: constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam.

Vastgestelde ecologische functie: vastgestelde ecologische functies zijn aangegeven in de bijbehorende kaarten van het Waterbeheerplan en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Motivering:

Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Hoofdstuk 8: Bruggen

Artikel 8.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod in artikel 3.1 eerste lid voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug in een b-water voor zover deze:

1.

Wordt aangelegd met een maximale breedte van 15 meter.

Artikel 8.2: Voorschriften

Degene die een brug aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

1.

Plaatst de pijlers van de brug niet in het oppervlaktewaterlichaam, en

2.

Tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden, en

3.

Belemmert de waterdoorvoer niet, en

4.

Brengt bij verwijdering van de brug het oppervlaktewaterlichaam terug op de oorspronkelijke afmetingen.

Artikel 8.3: Toelichting

Begripsbepaling

Brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam.

 

Motivering :

Het aanbrengen van bruggen over de b-water betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk.

De algemene regels is niet van toepassing op waterkeringen en bijbehorende beschermingszones A en B.

De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van bruggen in a-wateren blijft maatwerk noodzakelijk. Het aanbrengen van een brug in een dergelijk oppervlaktewaterlichaam valt dan ook niet onder deze algemene regel.

Hoofdstuk 9: Stuwen

Artikel 9.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend voor het verbod, bedoeld in artikel 3.1  eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een stuw in een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

1.

de stuw wordt aangelegd, behouden of verwijderd in b-wateren, en

2.

de stuw in overeenstemming met belanghebbenden wordt aangelegd en beheerd of verwijderd, en

Artikel 9.2: Voorschriften

Voorschriften

1.

het watersysteem blijft binnen peilbesluitgebieden aan de geldende peilen uit het peilbesluit voldoen, en

2.

degene die een stuw aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1 zorgt ervoor dat de aan- en afvoer van water bij een hoge belasting van het watersysteem wordt gewaarborgd.

Artikel 9.3: Toelichting

Motivering :

Het plaatsen en behouden van een stuw betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Hoofdstuk 10: Dam met duiker

Artikel 10.1: Criteria

Criteria

1.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, geheel of gedeeltelijk verwijderen of behouden van een dam met duiker, voor zover:

-

deze wordt aangelegd verlengd, verwijderd, of behouden in een b-water, en;

-

deze wordt aangelegd op een afstand van minimaal 5 meter van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, en;

-

deze een buislengte heeft van ten hoogste 15 meter per perceelszijde en deze aantoonbaar noodzakelijk is voor de perceelsontsluiting, en;

-

deze voldoet aan de volgende maatvoeringen:
- inwendige diameter duiker minimaal 0,30 meter, en
- binnenonderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens art. 2.4 van de keur, en
- wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

2.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen verlengen of behouden van een tweede dam met duiker per perceelszijde voor zover:

-

deze verplicht is op basis van wet- of regelgeving, en;

-

deze wordt aangelegd of behouden in een b-water, en;

-

deze wordt aangelegd of behouden op een afstand van minimaal 5 meter van een bestaande dam met duiker of van een ander (kunst)werk, en;

-

deze een buislengte heeft van ten hoogste 15 meter, en;

-

deze voldoet aan de volgende maatvoeringen:
- inwendige diameter duiker minimaal 0,30 meter, en
- binnenonderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens art. 2.4 van de keur, en
- wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

Toelichting

 

 

3.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het verwijderen van duikers in een a-water enkel ten behoeve van eigen gebruik.

Artikel 10.2: Voorschriften

Degene die een dam met duiker verwijdert als bedoeld in lid 3, zorgt ervoor dat:

-

het profiel van het oppervlaktewaterlichaam is hersteld door vloeiend aan te sluiten op het bestaande talud beneden- en bovenstrooms, en

-

de nieuwe taluds zijn ingezaaid met een graszaadmengsel. Bij zandgronden is eerst een laag teelaarde aangebracht, en

-

eventuele verzakkingen zijn hersteld.

Artikel 10.3: Mededeling

Degene die een dam met duiker in een a-water verwijdert, zoals bedoeld in lid 3, deelt dit ten minste een week voor aanvang mede aan het bestuur.

Artikel 10.4: Toelichting

Motivering:

Het aanleggen, behouden of verwijderen en het verlengen van een dam met duiker in b- wateren betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen, worden er voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker, en het aantal dammen met duikers per perceel.

Wanneer het oppervlaktewaterlichaam waarin een dam met duiker wordt geplaatst, verlengd (gedeeltelijk) of vervangen wordt, niet in eigendom is van de initiatiefnemer, dient meestal privaatrechtelijk toestemming te worden gekregen van de eigenaar van deze percelen. Wanneer een dam met duiker wordt aangelegd of verlengd ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gekregen van de wegbeheerder.

Het toestaan van een tweede duiker komt voort uit het voldoen aan onder andere bedrijfshygiënische voorschriften.

Het verwijderen van een duiker in een a-water ten behoeve van eigen perceelsontsluiting heeft slechts geringe gevolgen voor het watersysteem. Daarom zijn deze werkzaamheden in een algemene regel opgenomen.

Een mededeling wordt verplicht gesteld om de legger op orde te houden.

Hoofdstuk 11: Drainage

Artikel 11.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.8 van de Keur, om zonder vergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen buiten de beschermde gebieden Keur.

Artikel 11.2: Voorschriften

Degene die werken als bedoeld in het eerste lid aanlegt, behoudt of verwijdert voldoet aan de voorschriften volgens de algemene regel voor “Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen”

Artikel 11.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Beschermde gebieden Keur: gebied zoals aangewezen op de Keurkaarten waaronder bijvoorbeeld attentiegebieden, wijstgebieden, beschermde gebieden waterhuishouding.

Motivering:

Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg, behoud en verwijdering van (peilgestuurde) drainage. Deze algemene regel is niet van toepassing op drainage binnen de beschermde gebieden Keur (o.a. attentiegebied en beschermd gebied waterhuishouding) omdat deze gebieden beschermd dienen te worden tegen verdroging. Het gaat hierbij om de ligging van de drainage en niet om de ligging van de uitmonding.

De algemene regel voor “Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen” heeft ook betrekking op het aanleggen van drainage. Omdat die moeten worden aangebracht om het drainagewater te kunnen lozen in een oppervlaktewaterlichaam.

Bij voorkeur worden de drainagesystemen zodanig aangelegd dat de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd, zodat een bepaald grondwaterpeil kan worden gerealiseerd, dat wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden.
Zowel het draineren als het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen zijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels.

Als er in de ontvangstput een pomp wordt geplaatst die peilregulerend werkt, is sprake van onderbemaling. Indien de pomp alleen zorgt voor een deugdelijke afwatering, zonder dat er een peilregulering van het drainagesysteem wordt bewerkstelligd, is sprake van drainage.

 

Hoofdstuk 12: Brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 12.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.7  van de Keur voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur.

Artikel 12.2: Voorschriften

Degene die water brengt in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende voorschriften:

-

De waterloop kan de hoeveelheid water verwerken,

-

De activiteit veroorzaakt geen overlast.

Artikel 12.3: Maatwerk

Ten aanzien van lozingen van meer dan 50 m3 per uur, kan het waterschap conform artikel1.4,  derde lid maatwerkvoorschriften stellen.

Artikel 12.4: Melding

Degene die meer dan 50 m3 per uur water in een oppervlaktewaterlichaam brengt, meldt dit ten minste vier weken voor aanvang aan het bestuur.

Artikel 12.5: Toelichting

Motivering:

Dit artikel bevat algemene regels voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam.

Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en, bijvoorbeeld in de agrarische sector, een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Voor de lozingsconstructie geldt algemene regel 14. Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen

Het brengen van meer dan 50 m3 per uur in een oppervlaktewaterlichaam, kan problemen geven in de waterafvoer van het water. Hierdoor is het mogelijk dat er wateroverlast ontstaat. Daarom is in de algemene regel een meldplicht opgenomen met een maatwerkbevoegdheid. Daar waar de watergang mogelijk problemen kan ondervinden door de lozing, kan het waterschap hier extra randvoorwaarden stellen in een dergelijk maatwerkvoorschrift.

Deze algemene regel ziet niet op afvoer van hemelwater die rechtstreeks via een werk in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. Hiervoor geldt de algemene regel 15 Versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak.

Hoofdstuk 13: Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 13.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.7  van de Keur voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur.

Artikel 13.2: Toelichting

Motivering:

Dit artikel bevat algemene regels voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.
Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent onttrekkingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Voor het onttrekkingswerk geldt  algemene regel 14. Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen
Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 3.13, eerste lid  van de Keur een onttrekkingsverbod instellen. Dit verbod geldt ook voor de onttrekkingen die onder deze algemene regel vallen.

Hoofdstuk 14: Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij oppervlaktewaterlichamen

Artikel 14.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het aanleggen, verwijderen of behouden van lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en nabij a- en b-wateren.

Artikel 14.2: Voorschriften

1.

Werken in a-wateren als bedoeld in de criteria, moeten zodanig worden aangebracht, dat het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt en geen aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt.

2.

Werken als bedoeld in de criteria, mogen het doorstroomprofiel niet belemmeren.

3.

Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de lozingsconstructies in a-wateren, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk in het talud, al de voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

Artikel 14.3: Mededeling

Degene die een lozingsconstructies en onttrekkingswerken aanlegt als bedoeld in artikel 1 in
a-wateren meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden mee aan het bestuur.

Artikel 14.4: Toelichting

Lozingsconstructies en onttrekkingswerken in en langs oppervlaktewaterlichamen kunnen belemmerend werken voor onderhoud. Met deze algemene regel wordt een uniforme regeling geboden voor dergelijke werken. Deze moeten zodanig worden aangebracht dat hierdoor het onderhoud aan het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet belemmerd wordt of handelingen leiden tot schade aan taluds en/of waterbodem.

In het geval van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuizen in oppervlaktewaterlichamen kan aan het volgende worden gedacht (niet-limitatief):
- de uitmondingen van de drainagebuizen moeten zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden;
- het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de drainagebuizen moet beschermd worden door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten;
- deze uitloopgoten moeten minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden;
- (drainage)buizen moeten worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang;
- na het aanbrengen van het waterlozingspunt moet de onderhoudsstrook goed geëgaliseerd zijn en vrij van (overige) obstakels.
- Voor onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen gelden dezelfde uitgangspunten ten aanzien van de daarvoor benodigde werken;
- Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming, deze taludbescherming reikt minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam, bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner is de taludbescherming aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig; de taludbescherming strekt in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening;

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap effectief toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte melding in deze algemene regel opgenomen.

Hoofdstuk 15: Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak

Artikel 15.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

1.

Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;

2.

De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of;

3.

De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

4.

De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie onform de rekenregel:

benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)

De voorziening voldoet aan de volgende eisen:

-

De bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);

-

De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

-

Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Artikel 15.2: Toelichting

Motivering:

Toename of afkoppelen van verhard oppervlak tot en met 10.000 m2 heeft een beperkte invloed op het waterhuishoudkundig systeem. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Trits vasthouden-bergen-afvoeren:

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.

De benodigde retentiecapaciteit heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de retentiecapaciteit niet wordt beperkt door grondwater.

Begripsbepaling:

vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.

De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater.

Begripsbepaling:

Verhard oppervlak: Al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt naar een oppervlaktewater dan in de huidige situatie zonder verharding

Toename: Een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak. Vervangende nieuwbouw wordt niet beschouwd als toename verhard oppervlak.

Afkoppelen verhard oppervlak: Onder afkoppelen van verhard oppervlak wordt verstaan het onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie. In plaats daarvan wordt het hemelwater via infiltratie in de bodem of via afstroming of via hemelwaterriolering naar het oppervlaktewater afgevoerd.

Groen dak: dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie.

Gevoeligheidsfactor: nominale waarde die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt, zie kaart gevoeligheid piekafvoeren Bijlage 1 van de algemene regels.

0,06: is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.

 

Voorziening: Een voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. In de voorziening wordt water tijdelijk geborgen en/of geïnfiltreerd in de bodem.

Toelichting:

Het waterschap stelt criteria vast waarin is opgenomen in welke gevallen toename van  verhard oppervlak van compenserende maatregelen moet worden voorzien zodat de toename van piekafvoeren wordt beperkt. De criteria maken onderdeel uit van deze algemene regel. Indien de compensatie voldoet aan deze criteria, is een vergunning niet noodzakelijk.

Ad a, b en c) De hydrologische gevolgen van de ontwikkelingen tot en met 2.000 m2 toename van verhard oppervlak of tot en met 10.000 m2 afkoppelen van verhard oppervlak en groen dak zijn voor het ontvangende watersysteem beperkt. Tevens zou bij ontwikkelingen van deze omvang noodzakelijke compensatie bij een geïsoleerde voorziening resulteren in een voorziening die slecht beheer(s)baar is en weinig zekerheid op functioneren biedt. Een derde belangrijke reden voor deze vrijstelling is het beperken van de administratieve last voor zowel waterschap (vergunningverlening) als initiatiefnemer (vergunningaanvraag).

Ad d) De hydrologische gevolgen van de ontwikkelingen vanaf 2.000 m2 tot en met 10.000 m2 toename van  verhard oppervlak voor het ontvangende watersysteem moeten worden gecompenseerd door een voorziening aan te leggen. De benodigde omvang van de compensatie in kubieke meters dient te worden vastgesteld met de vermelde rekenregel.

Hoofdstuk 16: Kabels en leidingen in en nabij a-wateren en b-wateren

Artikel 16.1: Criteria

Criteria

1.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanleggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen onder, boven of langs b-wateren.

2.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het verwijderen van kabels en leidingen onder of langs a-wateren en in de daarbij behorende beschermingszone, indien:

-

niet worden aangelegd of behouden in het profiel van vrije ruimte;

-

haaks op de watergang worden gelegd, dient de afstand te zijn:
- minimaal 1 meter onder de waterbodem, of
- minimaal 2 meter onder de waterbodem bij een watergang waar beschoeiing aanwezig is, of
- minimaal 2,5 meter onder de waterbodem van een vaarweg, en
- minimaal 1 meter, gemeten haaks op het taludvlak, en
- minimaal 1 meter onder de beschermingszone, en
- minimaal 1 meter onder een ondersteunend kunstwerk;

-

parallel aan de watergang op ten minste 1 meter afstand horizontaal en verticaal gemeten uit de insteek worden gelegd.

3.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het verwijderen van kabels en leidingen onder of langs a-wateren en in de daarbij behorende beschermingszone, indien:

-

de waterafvoer ter plaatse te allen tijde gewaarborgd blijft.

4.

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Keur voor het aanleggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen over a-wateren en de daarbij behorende beschermingszone, indien de kabels en leidingen:

-

bevestigd zijn aan, dan wel samenvallen met bestaande bruggen of stuwen over het oppervlaktewaterlichaam, of

-

bij andere ondersteunende kunstwerken dan bedoeld in vorig lid, worden aangelegd met een minimale afstand van 0,30 meter tussen ondersteunend kunstwerk en kabel of leiding en er bij een kabel een overlengte is van minimaal 1 meter, in de vorm van een lus.

Artikel 16.2: Voorschriften

Voorschriften

-

Degene die een kabel of leiding aanlegt als bedoeld in het tweede lid onder b, voert de kruising uit door middel van een gestuurde persing of boring.

-

De kabel of leiding onder een beschermingszone bezit voldoende draagkracht voor het dragen van machines ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam.

-

Degene die een kabel of leiding aanlegt of verwijdert als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid van de criteria herstelt na uitvoering van de werkzaamheden de beschermingszone, talud en waterbodem, zodanig dat de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd en het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 16.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Leidingen: Mediumvoerende buisconstructies, die geen lozingswerk zijn en niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

Gestuurde persing of boring:  een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd.

Kabel: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.

Motivering:

Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterlichamen en hun beschermingszone komt regelmatig voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Verwacht wordt dat de daarop betrekking hebbende NEN-normen worden toegepast.
Indien gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructurele werken, in eigendom van het waterschap, moet hier toestemming voor worden verkregen.

Hoofdstuk 17: Beschoeiing

Artikel 17.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een beschoeiing, voor zover:

-

deze wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een b-water, en

-

de bergings- en de doorstroomcapaciteit van dat b-water gelijk blijft.

Artikel 17.2: Voorschriften

Degene die een beschoeiing verwijdert als bedoeld in artikel 1 brengt het b-water terug op de afmetingen conform het oorspronkelijk profiel.

Artikel 17.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Beschoeiing: grondkerende constructie in de oeverlijn/talud om de oever/talud tegen afkalving te beschermen.

Motivering:

Het aanbrengen van oeverbeschermende beschoeiingen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt in b-wateren een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.
Deze niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering of de bijbehorende beschermingszones A en B.
De beschoeiing moet deugdelijk aangebracht worden, zodat er geen verzakkingen of verplaatsingen kunnen optreden. Zodat voorkomen wordt dat grond van achter de beschoeiing in het oppervlaktewaterlichaam komt, en het bergend vermogen en de doorstroom mogelijkheid niet worden aangetast.

Hoofdstuk 18: Anti-worteldoek

Artikel 18.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek voor zover deze wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een b-water.

Artikel 18.2: Voorschriften

Degene die een anti-worteldoek aanlegt, behoudt of verwijdert als bedoeld in artikel 1 verkleint het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet.

Artikel 18.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Anti-worteldoek: kunststof doek dat wel water maar geen licht en wortelgroei doorlaat.

Motivering:

Bij veel tuinen van particulieren en bedrijven wordt anti-worteldoek op het talud van oppervlaktewaterlichamen toegepast om de tuin ter plaatse een net afgewerkt karakter te geven en het onderhoud te vergemakkelijken. Zolang het profiel in stand blijft, is doorstroming en berging van de watergang gewaarborgd.

Hoofdstuk 19: Stoffen, voorwerpen en dieren

Artikel 19.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen of voorwerpen of het houden van dieren, voor zover:

-

dit plaatsvindt in b-wateren, of;

-

het houden van dieren plaatsvindt in de beschermingszone van a-wateren

Artikel 19.2: Voorschriften

De onder 1 genoemde activiteit mag de water-aan- en afvoer niet belemmeren en het onderhoud niet hinderen.

Artikel 19.3: Toelichting

Motivering

Het komt voor dat er in een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone activiteiten zijn zoals begrazing. Deze activiteiten hebben nauwelijks gevolgen voor de waterhuishouding en daarom zijn ze opgenomen in deze algemene regel. Door te regelen dat dieren zonder vergunning in de beschermingszone mogen verblijven, wordt ervoor gezorgd dat daar begraasd kan worden.

Hoofdstuk 20: Veekeringen op beschermingszone

Artikel 20.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het plaatsen en hebben van veekeringen in beschermingszones en/of profielen van vrije ruimte die haaks op de insteek zijn geplaatst, indien deze veekeringen ten behoeve van het onderhoud zonder hulpmiddelen tijdelijk kunnen worden weggenomen.

Artikel 20.2: Voorschriften

Voorschriften

1.

De veekering is noodzakelijk in kader van artikel 2.7 van de Keur, en

2.

Degene die de veekering verwijdert brengt na uitvoering daarvan de beschermingszones en/of profiel van vrije ruimte terug in de oorspronkelijke staat, en

3.

Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de veekering binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

Artikel 20.3: Toelichting

Motivering

Het komt voor dat er bij een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone vee wordt gehouden. Hiervoor zijn plaatselijk veekeringen nodig, zoals ook vereist in de Keur. Deze activiteiten hebben nauwelijks gevolgen voor de waterhuishouding en daarom zijn ze opgenomen in deze algemene regel. Doordat de veekeringen in de beschermingszone eenvoudig tijdelijk verwijderd kan worden blijft onderhoud mogelijk.

Hoofdstuk 21: Werken ten behoeve van openbare wegen langs a-wateren

Artikel 21.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van werken ten behoeve van openbare wegen langs a-wateren, voor zover:

-

Het werk wordt minimaal 0,5 meter uit de insteek geplaatst, en.

-

De afstand tussen het straatmeubilair en andere obstakels in de beschermingszone of in a-water bedraagt minimaal 10 meter.

Artikel 21.2: Voorschriften

Degene die werken als bedoeld in het eerste lid aanbrengt, voldoet aan de volgende voorschriften:

-

De werken worden zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt, en,

-

De verharding dient afdoende draagkracht en stabiliteit te hebben voor de manier van onderhoud, en

-

Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van het werk binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk in het talud, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

Artikel 21.3: Toelichting

Begripsbepaling;

Openbare weg: weg in beheer van een overheid;

Straatmeubilair: bouwwerken, niet zijnde gebouwen, ten dienste van het verkeer.

Motivering:

Het betreft relatief eenvoudige en veel voorkomende werken die met name veel voorkomen in stedelijk gebied. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

De werken die bedoeld zijn voor openbare wegen hebben een maatschappelijk belang, waardoor onder voorwaarden altijd toe te staan. Hierbij moet wel het onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te waarborgen is de algemene regels alleen van toepassing als er voldoende ruimte is voor de gangbare onderhoudsmachines. Hierbij is het van belang dat tijdig overleg met het waterschap wordt gezocht.

In gevallen waar de afstanden als genoemd in deze algemene regel door ruimtegebrek niet mogelijk zijn, bestaat er een vergunningplicht. In deze vergunning kunnen specifieke voorschriften opgenomen worden om de waterhuishoudkundige belangen te borgen.

Hoofdstuk 22: Bebording ten behoeve van recreatieroutes langs a-wateren

Artikel 22.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van bebording ten behoeve van recreatieroutes langs a-wateren.

Artikel 22.2: Voorschriften

Degene die bebording als bedoeld in het eerste lid aanbrengt, voldoet aan de volgende voorschriften:

-

De bebording wordt aangebracht aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken, met uitzondering van verkeersborden ten behoeve van vaarwegen, of

-

Voor zover dit niet mogelijk is, wordt de bebording zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt, en

-

Onverminderd de onderhoudsplichten verwijdert de eigenaar/gebruiker van de bebording binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval.

Artikel 22.3: Toelichting

Motivering:

Dit artikel bevat algemene regels voor het aanbrengen, behouden en verwijderen van bebording ten behoeve van recreatieroutes langs a-wateren.
Het aanleggen van dergelijke werken betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Als voorwaarde geldt dat de bebording zo min mogelijk hinder oplevert voor het door het waterschap uit te voeren onderhoud. Hierbij is het van belang dat tijdig overleg met het waterschap wordt gezocht.

Hoofdstuk 23: Gras en eenjarige gewassen

Hoofdstuk 23: Gras en eenjarige gewassen

Artikel 23.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen in de beschermingszone van a-water.

Artikel 23.2: Voorschrift

Degene die gras of eenjarige gewassen in de beschermingszone aanbrengt of behoudt:

-

houdt bij diepere grondbewerkingen (dieper dan 15 centimeter) 1 meter gemeten vanaf de insteek vrij, zodat het talud niet kan afschuiven, en;

-

dicht ploegvoren en andere diepe geulen, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden.

Artikel 23.3: Toelichting

Motivering:

Het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen heeft een zeer gering effect op het oppervlaktewaterlichaam en is daarom met deze algemene regel vrijgesteld van de vergunningplicht.

Hoofdstuk 24: Natuurvriendelijke oever

Hoofdstuk 24: Natuurvriendelijke oever

Artikel 24.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur voor het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers langs b-wateren in overig gebied. Het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers kan indien deze oevers zodanig worden aangelegd of gewijzigd en onderhouden dat het natte profiel van de watergang niet verkleint.

Artikel 24.2: Toelichting

Begripsbepaling:

Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen.

Overig gebied: gebied niet aangewezen als beschermd of attentiegebied op de Keurkaarten

Motivering:

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Hoofdstuk 25: Klein onderhoud aan openbare wegen op de waterkering

Hoofdstuk 25: Klein onderhoud aan openbare wegen op de waterkering

Artikel 25.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het uitvoeren van klein onderhoud aan openbare wegen op de waterkering.

Artikel 25.2: Voorschriften

Degene die klein onderhoud aan openbare wegen uitvoert op de waterkering als bedoeld in artikel 1:

-

moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden mededelen aan het waterschap;

-

moet de werkzaamheden op een primaire of regionale kering, exclusief de compartimenteringskeringen, alleen in de periode van 1 april tot 1 oktober uitvoeren.

Artikel 25.3: Toelichting

Motivering:

Op de waterkeringen zijn vaak wegen aanwezig. Om de functie van de wegen te waarborgen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de wegen noodzakelijk. Het is daarbij echter wel van belang dat, bij de uitvoering van die werkzaamheden, ook de functie van de betreffende waterkering is gewaarborgd.
Onder klein onderhoud aan een openbare weg kan bijvoorbeeld het vervangen van de toplaag van die weg worden verstaan, voor zover daarbij geen sprake is van een uitbreiding van de verharding. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen en onderhouden van reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV)-borden en het roven en aanvullen van de berm. Van groot onderhoud is sprake wanneer de werkzaamheden in het profiel van de waterkering plaatsvinden, zoals bij het vervangen van de complete fundering van de weg. Voor dergelijke werkzaamheden dient een vergunning te worden aangevraagd.
Het plegen van klein onderhoud aan wegen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt echter een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.
Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen.

Hoofdstuk 26: Tijdelijke/semi-permanente objecten

Hoofdstuk 26: Tijdelijke/semi-permanente objecten

Artikel 26.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een tijdelijk/semi-permanent object binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen.

Artikel 26.2: Voorschriften

Degene die een tijdelijk/semi-permanent object binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen plaatst als bedoeld in artikel 1:

-

moet dit vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden mededelen aan het waterschap;

-

graaft het te plaatsen object niet in;

-

moet een object verwijderen ten behoeve van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden op aanzeggen van het dagelijks bestuur van het waterschap en op kosten van de melder.

Artikel 26.3: Toelichting

Begripsbepaling:

Tijdelijke/semi-permanente objecten: objecten die voor onbepaalde tijd op het waterstaatswerk, buiten de waterkering worden geplaatst maar die, wanneer nodig, eenvoudig verwijderd kunnen worden.

Motivering:

Semi-permanente objecten zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie. Gedacht kan worden aan objecten zoals speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, demontabele zwembaden en brievenbussen. Dergelijke objecten hebben (meestal) geen effect op het functioneren van de waterkering, maar dienen wel verwijderd te kunnen worden wanneer dat noodzakelijk blijkt ten behoeve van bijvoorbeeld dijkverzwaringen.

Hoofdstuk 27: Beweiden met schapen en geiten

Hoofdstuk 27: Beweiden met schapen en geiten

Artikel 27.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 van de Keur, voor het beweiden met schapen en/of geiten.

Artikel 27.2: Voorwaarden

Degene die met schapen en/of geiten beweidt op of nabij de waterkering als bedoeld in artikel 1 moet zijn schapen en/of geiten op eerste aanzegging van het bestuur verwijderen indien de instandhouding van een goede grasmat in gevaar is of dreigt voor te komen.

Artikel 27.3: Toelichting

Motivering

Het waterschap verpacht delen van de waterkering voor beweiding met schapen als onderhoud van de grasmat. In de pachtcontracten is de voorwaarden geregeld waaronder beweiding van de waterkering met schapen en/of geiten kan plaatsvinden.

Hoofdstuk 28: Afrastering bij keringen

Hoofdstuk 28: Afrastering bij keringen

Artikel 28.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering op de waterkering en in de beschermingszone A.

Artikel 28.2: Voorschriften

Degene die een afrastering op de waterkering en in de beschermingszone A plaatst als bedoeld in artikel 1:

-

moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden mededelen aan het waterschap;

-

moet de afrastering voldoende veekerend uitvoeren;

-

moet de afrastering in goede staat onderhouden;

-

moet bij verwijdering van de afrastering de paalgaten afdichten met klei.

Artikel 28.3: Toelichting

Motivering van de algemene regel:

Afrasteringen kunnen gezien worden als objecten die het doelmatig onderhoud aan waterstaatswerken kunnen belemmeren terwijl ze, in de vorm van een veekering, juist voorkomen dat vee de gesteldheid van de waterstaatswerken aantasten. Wanneer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, komt het doelmatig onderhoud niet in gevaar. Bovendien kunnen afrasteringen, indien nodig, vrij eenvoudig verwijderd worden. Het plaatsen van een afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

Hoofdstuk 29: Gebruik van percelen als tuin en bouwland

Hoofdstuk 29: Gebruik van percelen als tuin en bouwland

Artikel 29.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het gebruik van percelen in beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering, of voor het gebruik van percelen op een compartimenteringskering als tuin of bouwland.

Artikel 29.2: Voorschriften

Degene die percelen in beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering als tuin of bouwland gebruikt, of percelen op een compartimenteringskering als tuin of bouwland gebruikt als bedoeld in artikel 1:

-

voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:
- spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep), en/of;
- bemesten, en/of;
- zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen, en/of;
- aanbrengen en hebben van gras, en/of;
- planten, hebben en verwijderen van struiken en bomen op compartimenteringskeringen.

-

moet gewassen en beplantingen geen belemmering laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

-

plant nieuwe bomen en struiken op een afstand verder dan 10 m uit de buitenteen en verder dan 4 m uit de binnenteen van de primaire en regionale waterkering.

Artikel 29.3: Toelichting

Motivering:

Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering.

Afhankelijk van de diepte en locatie waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, zou bijvoorbeeld kwelwerking kunnen optreden en wateroverlast kunnen ontstaan of de erosiebestendigheid van de waterkering worden aangetast. Onder werkzaamheden die worden uitgevoerd bij het gebruik van percelen als tuin of bouwland kunnen voor deze algemene regel de volgende activiteiten worden gerekend:
- het spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep);
- het zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen;
- aanbrengen van gras;
- bemesten;
- het planten en onderhouden van bomen die van nature lager blijven dan 5,0m boven het maaiveld, struiken en overblijvende planten.
Bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.

Hoofdstuk 30: Erfverharding

Artikel 30.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het aanbrengen, onderhouden en verwijderen van erfverhardingen op een compartimenteringskering en binnen beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen.

Artikel 30.2: Voorschriften

Degene die een erfverharding aanbrengt, onderhoudt of verwijdert op een compartimenteringskering of binnen beschermingszone A van de primaire en regionale waterkering als bedoeld in artikel 1 voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:
- oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;
- aanbrengen klinkerverharding, en/of;
- aanbrengen zandbed ten behoeve van klinkerverharding, en/of;
- (bij verwijderen) het aanvullen van de ontstane ruimte tot aan maaiveld.

Artikel 30.3: Toelichting

Motivering:

Bij werkzaamheden bij de waterkering is het van groot belang dat het leggerprofiel, en dus ook de functie, van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Wanneer werkzaamheden in de ondergrond bij of op een waterkering worden uitgevoerd, kan dat een negatief effect hebben op de functie van de waterkering.
Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in de voorschriften worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waterkering.

Hoofdstuk 31: Huisaansluiting

Artikel 31.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, voor het leggen, hebben, onderhouden en vervangen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de waterkering en beschermingszones in het beheergebied van het waterschap.

Artikel 31.2: Voorschriften

Degene die huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de waterkering en binnen de beschermingszones van waterkeringen in het beheergebied van het waterschap aanlegt of vervangt als bedoeld in artikel 1:

1.

moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een mededeling gedaan worden aan het waterschap.

2.

moet de werkzaamheden uitvoeren in het buitentalud van primaire en regionale keringen, exclusief de compartimenteringskeringen, tussen 1 april en 1 oktober van elk jaar. Werkzaamheden op andere locaties mogen ook in de gesloten periode uitgevoerd worden;

3.

Ten aanzien de van aanleg, kan het waterschap conform artikel 1.4, vierde lid van de Keur, maatwerkvoorschriften stellen.

Artikel 31.3: Melding

Degene die een huisaansluiting aanlegt als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het waterschap.

Artikel 31.4: Toelichting

Begripsbepaling:

Buitentalud: het buitentalud is de helling van de buitenkant van de dijk, oftewel de kant van de dijk waar de rivier stroomt.

Motivering:

Aan het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen risico’s zijn verbonden, welke worden afgewogen in het kader van de beoordeling van vergunningsaanvragen. Met het vaststellen van een algemene regel, waarmee een vrijstelling van de vergunningsplicht wordt bereikt, moet er vooral zekerheid bestaan over de omvang van die risico’s die het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk bij waterkeringen kunnen veroorzaken. De werkzaamheden worden veelal uitgevoerd door of namens nutsbedrijven.
Het is van belang dat werkzaamheden bij waterkeringen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is een verplichte mededeling in deze algemene regel opgenomen. Tevens is een verplichte melding opgenomen, zodat het waterschap eventuele aandachtspunten aan de melder mee kan geven.

Hoofdstuk 32: Interne verbouwingen van bestaande panden

Artikel 32.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, voor het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden op een waterkering en binnen beschermingszone A.

Artikel 32.2: Voorschriften

Degene die een interne verbouwing in een bestaande pand uitvoert op een waterkering en binnen beschermingszone A als bedoeld in artikel 1:

1.

voert geen constructieve wijziging aan een kelder, fundering of vloerpeil uit.

Artikel 32.3: Toelichting

Motivering:

Bij een interne verbouwing van een bestaand pand vindt geen uitbreiding van dat pand plaats. Er is dan ook geen risico dat het profiel van vrije ruimte wordt verkleind. Het risico met betrekking tot het functioneren van de waterkering blijft daarnaast ook op een gelijk niveau.
Het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden op het waterstaatswerk betreft een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Hoofdstuk 33: Grondmechanisch onderzoek beschermingszone A en B

Artikel 33.1: Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.3 en 3.4, van de Keur, voor de uitvoering van sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone A en B van een waterkering.

Artikel 33.2: Voorschriften

Degene die sonderingen en/of grondboringen in beschermingszone A van een waterkering uitvoert als bedoeld in artikel 1:

1.

moet vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden medegedeeld worden aan het waterschap.

2.

Ten aanzien van het onderzoek, kan het waterschap conform artikel 1.4, vierde lid van de Keur, maatwerkvoorschriften stellen.

Artikel 33.3: Melding

Degene die grondmechanisch onderzoek uitvoert in beschermingszone A van een waterkering als bedoeld in artikel 1 meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag.

 

Artikel 33.4: Toelichting

Motivering:

Bij het waterschap komen regelmatig watervergunningsaanvragen binnen voor het verrichten van grond-, geotechnisch, geohydrologisch onderzoek. Bij deze onderzoeken is het vaak nodig om verticale boringen te verrichten voor het nemen van grondmonsters, het plaatsen van peilbuizen of het maken van sonderingen. Het is van belang dat het uitvoeren van verticale boringen in beschermingszone A correct wordt uitgevoerd. Daarvoor kan het noodzakelijk zijn dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

Hoofdstuk 34: Algemene regels grondwater

Artikel 34.1: Gebiedsaanwijzing

1.

Op de kaart "grondwaterdeelgebieden" behorende bij deze algemene regels, zijn grondwaterdeelgebieden aangewezen met het oog op gebiedsspecifieke toepassing van algemene regels.

2.

Per grondwaterdeelgebied gelden in de algemene regels de gebiedsspecifieke voorwaarden die opgenomen zijn in de onderstaande tabel.

3.

De put voor onttrekking of infiltreren is niet dieper dan noodzakelijk en strekt zich maximaal tot in het watervoerende pakket dat in de onderstaande tabel is aangegeven.

4.

De uitgangspunten op grond van lid 2 gelden niet indien en voor zover in een algemene regel specifiek andere voorwaarden zijn opgenomen.

Artikel 34.2: Algemene voorschriften voor onttrekking en infiltratie

1.

Degene die grondwater onttrekt, onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

2.

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet langer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Artikel 34.3: Algehele vrijstelling van vergunningplicht (kleine onttrekkingen)

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist ten aanzien van:

1.

onttrekkingsinrichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

-

de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en;

-

de onttrekkingsinrichting gelegen is buiten Beschermde gebieden Waterhuishouding en;

-

de putten zijn niet dieper is dan bepaald in artikel 34.1.

2.

veedrenkputten, voor zover de put niet dieper is dan bepaald in artikel 34.1.

Artikel 34.4: Beregening van grasland

1.

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor beregening van grasland:

-

voor zover de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten de Beschermde gebieden Waterhuishouding en attentiegebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart beschermde gebieden en buiten de invloedsgebieden Natura 2000 die zijn aangewezen op de kaart behorende bij deze algemene regels;

-

de onttrekkingsinrichting een maximale pompcapaciteit heeft van 70 m3 per uur;

-

er niet meer dan 1 put per 5 hectare aanwezig is;

-

de putten zijn niet dieper dan in artikel 34.1 is bepaald;

-

de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

2.

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorschriften:

-

het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor graslandberegening;

-

er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik;

-

de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

3.

Vergunningen verleend voor activiteiten als bedoeld in dit artikel vervallen met ingang van 1 januari 2018.

4.

Het bepaalde in het eerste lid, onder e, vervalt per 1 januari 2018.

5.

Het bepaalde in het tweede lid, onder c, treedt eerst in werking per 1 januari 2018.

6.

Degene die grondwater onttrekt conform dit artikel meldt dit tenminste 4 weken voor start van de werkzaamheden. De melding bevat tenminste de locatie van de put(ten), de maximale pompcapaciteit, de diepte van de put en het bedrijfswaterplan. Ten aanzien van booractiviteiten is tevens artikel 34.9 van toepassing. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door deze onttrekking geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

Artikel 34.5: Beregening van akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt

1.

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor gebruik ten behoeve van akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt:

-

voor zover de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten de Beschermde gebieden Waterhuishouding en attentiegebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keurkaart "beschermde gebieden" en buiten de invloedsgebieden Natura 2000 die zijn aangewezen op de keurkaart behorende bij deze algemene regels;

-

de onttrekkingsinrichting een maximale pompcapaciteit heeft van 100 m3 per uur;

-

er niet meer dan 1 put per 5 hectare aanwezig is;

-

de putten zijn niet dieper dan in artikel 34.1 is bepaald;

-

de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

2.

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorschriften:

-

het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor beregening van gewassen voor de akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt;

-

er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het boogde gebruik;

-

de houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd.

3.

Vergunningen verleend voor activiteiten als bedoeld in dit artikel vervallen met ingang van 1 januari 2018.

4.

Het bepaalde in het eerste lid, onder e, vervalt per 1 januari 2018.

5.

Het bepaalde in het tweede lid, onder c, treedt eerst in werking per 1 januari 2018.

6.

Degene die grondwater onttrekt conform dit artikel meldt dit tenminste 4 weken voor start van de werkzaamheden. De melding bevat tenminste de locatie van de put(ten), de maximale pompcapaciteit, de diepte van de put en het bedrijfswaterplan. Ten aanzien van booractiviteiten is tevens artikel 34.9 van toepassing. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door deze onttrekking geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

Artikel 34.6: Brandblusvoorzieningen

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor brandblusvoorzieningen als is voldaan aan de volgende regels:

1.

De brandblusvoorziening is noodzakelijk op grond van de bepalingen voor brandbestrijding van het Bouwbesluit 2012, en er is geen andere redelijk alternatief om aan die bepalingen te kunnen voldoen dan het gebruik van grondwater.

2.

De brandblusvoorziening is een geboorde put die is voorzien van een aansluitstuk ten behoeve van gebruik door de brandweer, danwel onderdeel uitmaakt van een brandblusinstallatie, conform de daarvoor geldende (landelijke) normen en voorschriften.

3.

Er wordt alleen water onttrokken ten behoeve van de bluswatervoorziening en voor het vereiste periodieke onderhoud van de put.

4.

De brandblusvoorziening is niet dieper dan bepaald in artikel 34.1.

Artikel 34.7: Bronbemalingen van tijdelijke aard

1.

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor een onttrekkingsinrichting die voldoet aan de volgende regels:

-

Bronbemaling die op een vaste locatie buiten een Beschermd gebied Waterhuishouding staat die:
- uitsluitend gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen die bij wijze van proef of ten behoeve van bodemsanering grondwater onttrekken;
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden.

-

Sleufbemaling die:
- uitsluitend gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken;
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 70 m3 per uur;
- de onttrekking niet langer dan 5 dagen op één locatie plaatsvindt.

-

Bronbemaling van korte duur ten behoeve van reparatie of inspectie van ondergrondse leidingen en installaties die:
- uitsluitend gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van het inspectie- en reparatiewerk;
- de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 70 m3 per uur;
- de onttrekking niet langer dan 5 dagen op één locatie plaatsvindt.

2.

Degene die grondwater onttrekt met behulp van een onttrekkingsinrichting als bedoeld in het eerste lid is gehouden ervoor te zorgen de verlaging van de grondwaterstand, alsmede de hoeveelheid en duur van de onttrekking, niet meer is dan strikt noodzakelijk voor de uitvoering van het werk.

Artikel 34.8: Grondwatersanering

1.

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater is niet vereist voor een onttrekkingsinrichting gelegen buiten een Beschermd gebied Waterhuishouding die uitsluitend wordt gebruikt voor grondwatersanering, en waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 20.000 m3 per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 30 maanden.

2.

Degene die grondwater onttrekt met behulp van een onttrekkingsinrichting als bedoeld in het eerste lid is gehouden ervoor te zorgen de verlaging van de grondwaterstand, alsmede de hoeveelheid en duur van de onttrekking, niet meer is dan strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van het werk.

Artikel 34.9: Meldplicht

In aanvulling op het bepaalde in het Waterbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit gelden de volgende regels:

1.

Voor alle boringen en afdichtingen van putten waarop het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing is, behalve die bedoeld in artikel 3 geldt:

-

De booractiviteit dient minimaal 2 weken voor aanvang schriftelijk te worden gemeld bij het bestuur.

-

Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit Bodemkwaliteit, eveneens aan het bestuur te worden gestuurd.

-

Bij afdichting van een put dient door de houder van de onttrekkingsinrichting binnen 4 weken na uitvoering, het veldwerkverslag zoals die vereist is krachtens het Besluit Bodemkwaliteit, eveneens aan het bestuur te worden gestuurd.

2.

Een melding op grond van artikel 3.11 van de Keur is niet vereist voor onttrekkingsinrichtingen zoals bedoeld in artikelen 34.3 en 34.6, 34.7 en 34.8 van deze algemene regels.

Artikel 34.10: Begripsomschrijvingen

In deze algemene regels wordt verstaan onder:

- Attentiegebieden: gebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart beschermde gebieden;
- Beschermde gebieden waterhuishouding: gebieden zoals die zijn aangegeven op de bij de Keur behorende Keurkaart “Beschermde gebieden”;
Bedrijfswaterplan: plan van waterconserverende en/of waterbesparende maatregelen welke worden genomen door of namens de houder van een onttrekkingsinrichting, door de houder van de onttrekkingsinrichting opgesteld conform een door het bestuur vastgesteld model;
- bodemsanering: activiteit gericht op het beperken c.q. verwijderen van verontreinigingen van de bodem;
- bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;
- grondwatersanering: activiteit gericht op het beperken c.q. verwijderen van verontreinigingen van grondwater;
- pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters uur
- put: alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat en doorlatende filters;
- scheidende laag: een afdichtende of slecht waterdoorlatende bodemlaag;
- sleufbemaling: bronbemaling ten behoeve van een smalle, meestal voortschrijdende bouwput;
- watervoerend pakket: een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensd wordt door een scheidende laag of door een vrije waterspiegel.

Hoofdstuk 35: Toelichting bij de algemene regels grondwater

Artikel 35.1: Algemene toelichting

Verhouding tussen algemene regels en de keur

Met de vaststelling van de keur wordt er ook voor het grondwaterbeheer meer met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie regelt de keur alleen nog het meest noodzakelijke. De nadere afbakeningen van vergunningplichten, etc. vindt thans plaats via algemene regels. Daarnaast zijn de algemene voorschriften (in feite al een vorm van algemene regels) komen te vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving in de plaats gekomen is. Het doel van algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.

Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer

Gelet op de kaders en doelstellingen van de Waterwet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers:
- Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.
- Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.
- Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.
- Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of –infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.

Adequaat voorraadbeheer

Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.
Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden, dat wil zeggen de diepere lagen blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:
- zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);
- benutten gebiedseigen water;
- wateraanvoer;
- en dan pas grondwater.
In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurd.

Bescherming grondwaterkwaliteit

Bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt, net als voorheen, vormgegeven door het doorboren van de scheidende lagen in de bodem zo veel mogelijk tegen te gaan. De kwalitatief hoogwaardige diepere lagen blijven primair voor de drinkwatervoorziening bestemd. Een bijzonder onderdeel vormt het drinkwaterbeschermingsbeleid. Dit is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Waterwet en Provinciale milieuverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Het waterschap doet dit door haar regelgeving aan te laten sluiten op de Provinciale milieuverordening.

Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen
Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.

Lokale nadelige effecten tegengaan
Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.

Beschermde gebieden en attentiegebieden
Voor de beschermde gebieden die in de keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid (Provinciaal Milieu- en Waterplan). Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de algemene regels dat voor diverse handelingen de algemene regel alleen geldt buiten de beschermde gebieden en attentiegebieden. Uitzonderingen zijn ingrepen die een dermate beperkt en tijdelijk effect hebben dat deze geen bedreiging vormen voor het beoogde doel van het standstill-beleid, niet op zichzelf en ook niet cumulatief. Dit geldt uiteraard wel zolang voldaan wordt aan de kaderstellende regels die als waarborg in de algemene regels zijn opgenomen. Sommige van deze handelingen waren al toegestaan zoals

brandblusvoorzieningen (voorheen noodvoorzieningen genoemd), sommige handelingen zijn nieuw zoals sleufbemaling.

Bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Waterwet en Besluit Bodemkwaliteit
Vanuit het oogpunt van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, stuurt het waterschap niet alleen op de hoeveelheden grondwater die onttrokken wordt (of de hoeveelheid water die geïnfiltreerd wordt), maar ook op de plaats en de diepte waarop dit gebeurt. Dit betekent dat het waterschap op grond van de Waterwet ook regels stelt aan putten die deel uitmaken van een onttrekkingsinrichting. Op putten is tevens het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Beide kaders hebben een andere achtergrond en andere aangrijpingspunten, maar liggen wel in elkaars verlengde. Aangezien krachtens het Besluit Bodemkwaliteit al landelijke regels gelden voor het boren, beheren en verwijderen van putten alsmede regels waaraan de bedrijven die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, hoeft en kan het waterschap daar geen nadere regels over op te nemen. De regels die het waterschap krachtens de Waterwet stelt hebben dan ook louter tot doel te sturen op de diepte en locatie(s) waarop grondwater wordt onttrokken vanwege adequaat grondwatervoorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater conform artikel 2.1 van de Waterwet. Dat er een zeker raakvlak kan zijn tussen beide wettelijke kaders is daarbij noch onvermijdelijk noch onoverkomelijk. Immers, ook op andere vlakken binnen het waterstaatsrecht komt een dergelijke situatie voor, bijvoorbeeld ten aanzien van bouwwerken op waterkeringen (Woningwet juncto Wet ruimtelijke ordening en de Waterwet).

 

Gebiedsgericht grondwaterbeleid
Het grondwater in Brabant kende voorheen geen gebiedsspecifieke invulling, behalve dan de beschermde gebieden en attentiegebieden. Zodoende gold er bijvoorbeeld één norm voor de maximaal gewenste diepte van onttrekkingen voor de hele provincie (30 meter resp. maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten. Het grondwater werd feitelijk benaderd als één groot watervoerend pakket in 2 delen, die homogeen is over de hele provincie. In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht deed aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). Daarnaast was er geen relatie met het oppervlaktewaterbeheer. In het huidige beleid is wel een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. Daarbij is getracht de gebiedsindeling nog steeds zo eenvoudig mogelijk te houden met het oog op de toepassing van algemene regels. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrijafwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal ook een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.

Ten behoeve van de duidelijkheid van regelgeving, zijn de aldus ontstane grenzen vervolgens op perceelsniveau begrenst, aan de hand van herkenbare grenzen aan het maaiveld zoals wegen of kadastrale grenzen. Een ieder die een handeling voornemens is te gaan doen, moet immers eenvoudig kunnen vaststellen in welk gebied die handeling valt en dus welke (algemene) regels van toepassing zijn.

Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Dit komt in de plaats van de vaste 30 meter en 80 meter die in het provinciaal beleid zijn opgenomen. Het doel is echter nog steeds hetzelfde. De grenzen 30 meter en 80 meter waren immers door de provincie gekozen als een makkelijk na te meten vertaling van de beoogde watervoerende pakketten. Het gevolg was echter wel dat door een gemiddelde aan te houden deze diepten niet aansloten bij wat er regionaal daadwerkelijk aanwezig was. Daarnaast is de doorlatendheid van watervoerende pakketten steeds verschillend. Voor sommige gebruiksfuncties, zoals brandblusvoorzieningen, is de ondiepe laag niet doorlatend genoeg om de wettelijk vereiste debieten bluswater te kunnen leveren. Voor brandblusvoorzieningen bijvoorbeeld betekende dat er dan vaak alsnog gemotiveerd afgeweken moest worden in de vergunning. Door echter uit te gaan in de regelgeving van de watervoerende pakketten in plaats van vaste diepten wordt nog steeds het beoogde doel nagestreefd volgens de oorspronkelijk achterliggende redenatie, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. Bovendien gelden ondertussen landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. De noodzaak om via vaste, ook voor leken makkelijk na te meten diepten te reguleren en handhaven, is daarmee afgenomen.

Bovendien gaan landelijke regels en richtlijnen ook steeds meer uit van watervoerende pakketten als referentie, in plaats van vaste diepten. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het provinciale kaderstellende beleid.

Bij het toekennen van watervoerende pakketten is het voor sommige gebruiksfuncties in sommige deelgebieden nodig toch nog een nader onderscheid te maken, met name vanwege de doorlatendheid van de bodem zoals hierboven aangegeven. Het uitgangspunt blijft echter nog steeds dat er zo ondiep mogelijk onttrokken moet worden en diepere lagen voor de meer hoogwaardige functies te reserveren. Dit komt tot uiting door in sommige gevallen twee diepten aan te wijzen in een gebied. De meest ondiepe laag voor kleine onttrekkingen, graslandberegening en dergelijke, en een iets diepere laag voor de andere functies zoals brandblusvoorzieningen. De ondiepere laag heeft over het algemeen een lagere doorlatendheid die deze minder geschikt maakt voor onttrekkingen met een hoger debiet zoals een brandblusvoorziening. Deze lagere doorlatendheid is in het algemeen echter niet te zeer beperkend voor onttrekkingen met een laag debiet zoals kleine onttrekkingen en graslandberegening. Overigens is deze redenatie niet geheel nieuw, want ook in het vorige stelsel van keur en beleidsregels kwam dit onderscheid terug via een maximale diepte van 30 meter voor bijvoorbeeld kleine onttrekkingen en maximaal 80 meter voor bijvoorbeeld industrie.

 

Artikel 35.2: Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1
Dit artikel regelt het vaststellen van de kaart waarop de gebiedsindeling voor het grondwaterbeleid is weergegeven. Dit artikel regelt niet de aanwijzing van de Beschermde gebieden en de attentiegebieden, want dat is in de keur geregeld, omdat die kaart de basis vormt voor een onderscheid in twee soorten vergunningplicht (grondwater resp. oppervlaktewaterlichamen).
Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. In de algemene regels en beleidsregels sluit het waterschap aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens artikel 25 Besluit Bodemkwaliteit.

Artikel 2

Dit artikel omvat regels die gelden voor alle onttrekkingen en het infiltreren van water die daarna in de algemene regels worden genoemd. Voorheen golden veel meer algemeen geldende regels via de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. Ondertussen is er landelijke regelgeving gekomen die deze aspecten regelt, namelijk het Protocol Mechanisch boren, krachtens artikel 25 van het Besluit Bodemkwaliteit. Elders in het land komen in algemene regels nog voorschriften voor zoals de regel dat bij de aanleg en het beheer van een onttrekkingsinrichting uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten voorkomen moet worden. Ook daarin voorziet het Protocol Mechanisch boren reeds. Voor een uitgebreidere beschrijving over de verdeling van bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Waterwet en Besluit Bodemkwaliteit wordt verwezen naar de algemene toelichting hierboven.

Artikel 3

Dit artikel regelt enkele algehele vrijstellingen van de vergunningplicht, zonder nadere bijzondere voorwaarden. De strekking van de leden 1 en 2 zijn niet nieuw. Deze komen overeen met bestaande vrijstellingen uit de vorige keur die nog teruggaan tot de periode voor 2009, toen deze regels nog in de provinciale verordening opgenomen waren. Lid 3 is opgenomen met het oog op deregulering.

Artikel 4

Met graslandberegening wordt bedoeld het beregenen van percelen met gras die bedoeld zijn voor het houden of weiden van vee en daarmee vergelijkbaar agrarische gebruik. Graslandberegening is in die bedrijfsvoering bedoeld als een manier om voldoende ruwvoer voor vee te produceren.
Een bijzondere gebruiksvorm voor gras is het telen van graszoden. Deze teelt wordt vanwege zijn bijzondere aard niet als grasland beschouwd, maar wordt benaderd als een bijzondere vorm van akkerbouw. Het gaat daar immers niet om de productie voldoende gras voor ruwvoer (waar overigens ook alternatieven voor beschikbaar zijn), of voor het weiden van vee, maar om de teelt van een meer ‘hoogwaardig gewas’.
Voorheen gold voor graslandberegening een vergunningplicht met een zeer terughoudend vergunningenbeleid. Met deze algemene regel wordt nieuw beleid voor beregening uit grondwater ingevoerd. De pompcapaciteit en het gebied waarin wordt onttrokken zijn bepalend of een onttrekking wel of niet is vrijgesteld van de vergunningplicht. Voor de beschermde gebieden, attentiegebieden en zones rondom N2000-gebieden blijft het bestaande regime onverkort van kracht, dit betekent dat de bestaande vergunningen en de bestaande vergunningplicht met het bestaande vergunningenbeleid daar ongewijzigd blijven. Voor de overige gebieden wordt nieuw beleid ingevoerd waarbij meer flexibiliteit en meer gebruik van algemene regels centraal staat. De pompcapaciteit is medebepalend voor de vrijstelling van vergunningplicht en is zodanig gekozen dat deze nog steeds uitnodigt tot verantwoord grondwatergebruik. Immers, een agrariër zal een pomp niet langer in werking laten dan nodig is gezien de (brandstof)kosten en men zal dus naar verwachting niet langer beregenen dan noodzakelijk is.
Daarnaast zijn in de algemene regels enkele voorschriften opgenomen waaraan moet worden voldaan om ongewilde excessen of andere ongewenste effecten (zie ook artikel 7.18 Waterwet) te voorkomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een beperking van het aantal putten, gelet op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater via de bescherming van de scheidende lagen in de bodem. De hier gestelde grenswaarden zijn enerzijds afgestemd op wat in de praktijk bij een goede landbouwpraktijk past qua waterbehoefte. Er is gekeken naar de hoeveelheid water die men normaal gesproken voor een teelt zou onttrekken, met een marge voor verschillen in bedrijfsvoering. Omdat een onttrekkingsinrichting nooit een rendement van 100% kan hebben, is dit vervolgens verhoogd naar een pompcapaciteit die in de praktijk, gegeven de voorgeschreven grondwaterpakketten, in verreweg de meeste gevallen dat debiet kan leveren. Een agrariër met een normale en verantwoorde bedrijfsvoering kan hiermee uit de voeten. Aan de andere kant is de gestelde grens voor de pompcapaciteit wel zodanig gekozen dat deze nog steeds uitnodigt tot verantwoord grondwatergebruik. Immers, een agrariër zal een pomp niet langer in werking laten dan nodig is gezien de (brandstof)kosten en men zal dus naar verwachting niet langer beregenen dan noodzakelijk is. Afwijkingen van de algemene regel blijven zoals voorheen vergunningplichtig. Hierdoor blijft toetsing (en dus maatwerk) in afwijkende gevallen mogelijk.

Op de kaart bij de algemene regels als bedoeld in artikel 1 van de algemene regels zijn tevens invloedsgebieden Natura 2000 aangewezen waarvoor de algemene regels niet gelden (en die dus vergunningplichtig blijven op grond van de keur). Dit zijn gebieden rond Natura 2000-gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet kan worden uitgesloten. In deze gebieden kan een agrariër die grondwater wil gaan onttrekken naast een watervergunning, tevens een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig hebben. Hiervoor is het waterschap echter geen bevoegd gezag.

Voor de overige gebieden word nieuw beleid ingevoerd waarbij meer flexibiliteit en meer gebruik van algemene regels centraal staat. Een overgangsregeling stimuleert vergunninghouders (grasland maar ook akker- en tuinbouw en boomteelt) om op termijn een keuze te maken over hoe zij omgaan met water op hun bedrijf.
Bij het van toepassing worden van de algemene regel blijven de rechtsgevolgen van de vergunning gewoon bestaan en houdt de vergunning voor de houder daarvan betekenis. Dit is alleen anders als dat bij wettelijk voorschrift wordt geregeld/bepaald. Dit pleit voor het opnemen van een overgangsregeling waarin een termijn is opgenomen waarna een vergunning van rechtswege komt te vervallen. De leden 3, 4 en 5 voorzien in een dergelijke overgangsregeling.

Artikel 5

Gelijk aan het nieuwe beleid voor graslandberegening wordt ook meer flexibiliteit per algemene regel ingevoerd voor de akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt. Dit artikel volgt dezelfde opbouw en redenatie, maar is aangepast aan de landbouwpraktijk behorende bij akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt. Onder akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt wordt niet verstaan glastuinbouw, substraatteelten (zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer), en dergelijke. Onder onttrekkingen voor beregening wordt in dit artikel ook verstaan onttrekking ten behoeve van nachtvorstbestrijding.

Artikel 6

Tot op heden waren brandblusvoorzieningen (voorheen ‘noodvoorzieningen’ geheten en in richtlijnen voor de brandweerzorg ook wel bluswatervoorziening geheten) vrijgesteld van de vergunningplicht, mits de put niet dieper was dan 30 meter. Bij die vrijstelling gelden wel twee kanttekeningen. De eerste is dat brandblusvoorzieningen nog steeds onder de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen vielen. Er was dan wel geen vergunning nodig, maar er golden toch nog steeds regels. Ten tweede werd toen deze regels opgesteld werden nog beduidend minder vaak naar grondwater uitgeweken voor de bluswatervoorziening dan thans. De oorzaak ligt in aangescherpte landelijke regelgeving voor bluswatervoorzieningen. Die aangescherpte regels leiden in de praktijk al langer tot een toename van het aantal noodvoorzieningen die dieper dan 30 meter moeten zijn, omdat anders de wettelijk voorgeschreven debieten bluswater niet gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent op zijn beurt dat het aantal diepe putten en daarmee doorboringen van scheidende lagen verder zal toenemen. Voortzetting van de vergunningplicht zoals deze voorheen gold, heeft geen meerwaarde omdat, gezien de landelijke regelgeving, het weigeren van een vergunning na een eenvoudige toetsing eigenlijk niet meer aan de orde is. Het is dan ook effectiever om betere randvoorwaarden te stellen via algemene regels dan tot nu toe gebruikelijk was. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het tegengaan van misbruik van brandblusvoorzieningen voor ander gebruik. Een brandblusvoorziening is immers alleen bedoeld voor incidenteel gebruik door de brandweer of voor een sprinklerinstallatie, waarbij het regulier spuien ten behoeve van het onderhoud van de put is inbegrepen. Een brandblusvoorziening is echter nadrukkelijk niet bedoeld voor bijv. beregening. Misbruik wordt ondervangen door aan te sluiten bij de landelijk geldende normen voor brandblusvoorzieningen. Die normen zijn bedoeld om het gebruik door de brandweer of een sprinklerinstallatie, en om de leveringszekerheid van voldoende bluswater te waarborgen. Deze eisen omvatten onder andere het soort aansluiting voor brandslangen, bereikbaarheid, afdichting en het beheer en onderhoud van de put. Deze eisen zorgen er bijna vanzelf voor dat een ander gebruik niet mogelijk is. In de algemene regels is dan ook een clausule opgenomen dat een onttrekkingsput bedoeld voor de brandweer of een sprinklerinstallatie slechts een brandblusvoorziening is als bedoeld in de algemene regels, als deze ook daadwerkelijk aan die landelijke regels voldoet.

Mocht een brandblusvoorziening toch anders aangelegd moeten worden dan de algemene regels toestaan, met name een grotere diepte dan in de algemene regels is opgenomen (om aan de leveringszekerheid te kunnen voldoen van de wettelijk voorgeschreven debieten bluswater), dan geldt nog steeds een vergunningsplicht zodat specifieke toetsing naar de noodzakelijkheid mogelijk is.
In vergunningen en algemene regels is veelal bepaald dat een onttrekkingsinrichting (en daar maakt de put deel van uit) alleen voor het doel aangewend mag worden waarvoor deze bedoeld was. Bijvoorbeeld een beregeningsput mag alleen voor beregening gebruikt worden. Dit betekent echter niet dat bijvoorbeeld een beregeningsput niet als brandblusvoorziening gebruikt mag worden door de brandweer, ook al is hier niet specifiek in voorzien in de algemene regels of vergunningsvoorwaarden. De wettelijke basis is dan artikel 62 lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s die bepaald dat de brandweer bevoegd is alle benodigde uitrustingsstukken en hulpmiddelen ter plaatse zodanig te gebruiken als zij noodzakelijk achten voor een goede vervulling van hun taak. In de algemene regels is hiervoor dan ook geen nadere regel opgenomen.

Artikel 7

Dit artikel regelt vrijstelling van vergunningplicht voor tijdelijke bronbemalingen in beginsel zoals dat voorheen in de keur en daarvoor in de provinciale verordening geregeld was. Ook lid 2 kent zijn oorsprong in de voormalige keur en de daarvoor geldende provinciale verordening. Onttrekkingen met een langere duur en/of een groter debiet en met een ander doel dan in de algemene regel is aangegeven, blijven vergunningplichtig. Noviteit in de algemene regel is de voorziening voor sleufbemalingen, oftewel mobiele bronbemalingen (lid 1 onder b). Dit zijn bijvoorbeeld bronbemalingen voor het drooghouden van bouwputten voor ondergrondse leidingtracés. In dergelijke gevallen verplaatst de bronbemaling zich steeds langs het tracé van de aanleg en bevindt zich zodoende slechts enkele dagen op dezelfde plaats. Dit type onttrekking komt in de praktijk regelmatig voor, maar viel niet onder de vrijstelling voor bronbemalingen. In de praktijk blijkt behoefte te zijn aan soortgelijke regeling en blijkt deze ook realiseerbaar via algemene regels, zodat deze nu is opgenomen. Tevens wordt hiermee voorkomen dat, ondanks een algemene regel, voor veel ondergrondse leidingen nog steeds een vergunning nodig blijft omdat een deel van het tracé een beschermd gebied doorkruist. Bij het formuleren van de algemene regel is voor het debiet en de tijdsduur aansluiting gezocht bij wat in de praktijk gangbaar en acceptabel is qua werkdruk en grondwatergebruik.
Daarbij is tevens geen onderscheid gemaakt naar ligging binnen of buiten beschermde gebieden. Dit wordt verantwoord geacht gezien de minimale en zeer tijdelijke impact van een dergelijke bemaling vanwege de korte tijdsduur en het gering debiet dat toegestaan is. Hiermee is de beoogde standstill ten behoeve van verdrogingsbestrijding in deze gebieden nog steeds afdoende geborgd.
De algemene regels uit lid 1 onder a en b, bleken in de praktijk niet goed van toepassing op tijdelijke bouwputten ten behoeve van inspectie en reparatie van ondergrondse leidingen en andere installaties. Deze vallen immers niet goed onder de beschrijvingen van sub a, maar het is ook niet altijd een sleufbemaling als bedoeld in sub b. Daarom is aan lid 1 een extra regel toegevoegd in de vorm van sub c, waarbij qua regels aansluiting is gezocht bij sub a en b.

Artikel 8

Dit artikel regelt volgens dezelfde opbouw als artikel 7 de vrijstelling van vergunningplicht specifiek voor grondwatersaneringen. De enige noviteit ten opzichte van de regels zoals deze voorheen in de keur opgenomen waren, is het gebruik van het begrip grondwatersaneringen in plaats van grondsanering omdat dit duidelijker en landelijk gebruikelijk is. Bodemsaneringen vallen onder artikel 7.

Artikel 9

Lid 1 en 2 zijn een omzetting van de bestaande regels uit de keuren en de voorgaande algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. Wat in deze leden anders is dan voorheen, is dat aansluiting gezocht is bij de wettelijke eisen krachtens het Besluit Bodemkwaliteit. Voorheen werden via de algemene voorschriften regels gesteld voor de wijze waarop putten aangebracht, beheerd en verwijderd moesten worden, inclusief regels voor de te overleggen gegevens in de melding. Ondertussen voorziet het Protocol mechanisch boren krachtens het Besluit Bodemkwaliteit daar in. Zo is geregeld dat putten alleen door een erkend bedrijf aangelegd mogen worden en dat er boorstaten aangeleverd dienen te worden, voorzien van nadere gegevens over bijvoorbeeld de exacte plaats van de put. In het Protocol mechanisch boren wordt deze rapportage (die bij de melding krachtens het Besluit Bodemkwaliteit moet worden ingediend) aangeduid met de term ‘beschrijving van het veldwerk’. Het volstaat dan ook om hier als regel te stellen dat de melding die men krachtens het Besluit Bodemkwaliteit bij het bevoegd gezag dient in te dienen, tevens bij het waterschap moet worden ingediend.
Lid 3 voorziet in een aanvulling op de Waterwet. De Waterwet (artikel 7.18) legt onttrekkers van grondwater een zorgplicht op om nadelige gevolgen van de onttrekking voor derden te voorkomen en als dat niet kan zo veel mogelijk te beperken. Nadelige gevolgen kunnen onverwacht of onvoorzien zijn en dan kan het bijvoorbeeld gaan om schade aan landbouw of natuur, verplaatsing van bodemverontreiniging, schade aan bouwwerken (verzakking). De Waterwet heeft verschillende regels die hierop betrekking hebben, maar voorziet niet in een meldplicht bij het waterschap. Dit is wel gewenst om eventueel controle uit te kunnen voeren.

Artikel 10

-Scheidende laag: deze begripsbepaling sluit aan op de begrippen die krachtens het Besluit Bodemkwaliteit gebruikt worden.

-Watervoerend pakket: dit wordt in de bodemkunde ook wel aquifer genoemd.

-Veldwerkverslag: dit begrip is overgenomen uit het Protocol Mechanisch Boren welke krachtens het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing is op het slaan van putten. In dit veldwerkverslag behoord onder andere opgenomen te zijn, de XY-coördinaten van de boorlocatie en bereikte boordiepte, de bodemopbouw (boorstaat) en de toegepaste aanvullingsmaterialen en de diepte waarop deze zijn toegepast.

-Sleufbemaling: Sleufbemalingen worden meestal uitgevoerd in het kader van de aanleg van kabels of leidingen.

 

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Copyright 2018 - Alle Rechten Voorbehouden disclaimer