Beleidsregels

Hoofdstuk 1: Beleidsregel peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam, waaronder begrepen onderbemalingen

Artikel 1.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
Daarnaast is het op grond van artikel 3.1, tweede lid verboden zonder vergunning een oppervlaktewater-lichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen.
Hieronder wordt ook verstaan het wijzigen van het waterpeil in een oppervlaktewaterlichaam door middel van een werk; daaronder begrepen de onderbemaling.

2.

Onderbemaling: Bij onderbemaling kan worden gedacht aan het afdammen van watervoerende wateren en het plaatsen van een pomp. De reden om een onderbemaling in te stellen is meestal om het land geschikt te maken voor gebruik door de drooglegging te vergroten. Daarnaast valt te denken aan onderbemalingen ten behoeve van een specifieke agrarische functie. Een peilverhoging in landelijk gebied gebeurt meestal om natuurwaarden, archeologische of cultuurhistorische waarden te beschermen. In het stedelijk gebied wordt het peil meestal veranderd om de bebouwing te beschermen.

Beschermde gebieden waterhuishouding: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beschermde gebieden waterhuishouding zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hieronder valt de ecologische hoofdstructuur (EHS - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).

Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Natuurbeschermingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Provinciale Verordening Water.

Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.

Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beekdalen betreffen kwelgebieden in de AHS die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden.

Wijstgebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgebieden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de het Provinciaal Waterplan, aangeduid als “projectgebieden Wijst”.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen van voorzieningen of activiteiten die peilafwijkingen tot gevolg hebben in alle a-wateren. Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben kan gedacht worden aan stuwen, gemalen en dammen en inlaten van water.

Artikel 1.2: Doel van de beleidsregel

In het geval van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben wordt het waterpeil en dus ook het watersysteem beïnvloed. Zo kan er een versnippering van het waterbeheer optreden, evenals een vermindering van het bergend vermogen. Voorkomen moet worden dat het watersysteem dusdanig negatief wordt beïnvloed dat het niet meer optimaal functioneert of dat de vastgelegde gebruiksfunctie (inclusief de ecologische) wordt geschaad. Voor de beschermde gebieden keur wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het, bij voorkeur, verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still.

Artikel 1.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat peilafwijkingen geen nadelige effecten hebben voor het omliggende gebied. Het vastgestelde peil moet immers niet worden aangetast.

Bij het vaststellen van een peilbesluit en streefpeilen is zorgvuldig gekeken welke peilen het beste gehandhaafd kunnen worden binnen een gebied. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de diverse belangen. Vergunningen tot peilafwijkingen dienen uitsluitend een specifiek doel, waarvan hertoetsing moet plaatsvinden bij het vaststellen van een nieuw peilbesluit of streefpeil. Daarom worden alleen tijdelijke vergunningen verleend voor de looptijd van het vigerende peilbesluit tot het einde van de geldigheidstermijn van dit peilbesluit. Hetzelfde geldt voor vergunningen voor kunstwerken in streefpeilgebieden.

2.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

3.

Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen de ecologische hoofdstructuur dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.

In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.

Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).

4.

De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden waterhuishouding.

5.

De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.

6.

De beekdalen zijn gebieden in de AHS die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt een zelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden Waterhuishouding.

7.

In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.

Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.

Artikel 1.4: Toetsingscriteria

1.

Uitgangspunt bij de beleidsregel peilafwijkingen is dat er geen nadelige effecten ontstaan voor het omliggende gebied. Peilafwijkingen mogen daarom geen ontoelaatbare gevolgen hebben voor:

  1. de versnippering van het watersysteem, waarbij de onderlinge samenhang van het systeem minder goed te beheren is, zowel voor waterkwantiteit als voor waterkwaliteit;
  2. de bergingscapaciteit van het watersysteem;
  3. de kwel en verzilting ten gevolge van de opwaartse druk van het grondwater bij peilverlagingen in het oppervlaktewater;
  4. schade aan gebouwen, infrastructuur, waterkeringen en doelstellingen van specifieke waterhuishoudkundige functies;
  5. toename van (ongelijkmatige) bodemdaling in het veengebied;
  6. landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische waarden.

Hierbij wordt bij de vergunningverlening gekeken naar (technische) mogelijkheden om de invloed op het vastgestelde peil en de ecologische doelstellingen (zoals het vrij migreren van vissen) van het oppervlaktewaterlichaam zoveel als mogelijk te beperken. De gevolgen ten aanzien van afwenteling van wateroverlast en beperking van bergingscapaciteit moeten volledig te ondervangen zijn door het stellen van voorschriften.
Een voorbeeld hiervan is het toepassen van horizontale drainage in combinatie met een centrale afvoerpomp naar het oppervlaktewaterlichaam in plaats van een onderbemaling in een oppervlaktewaterlichaam. Bij drainage wordt de grondwaterstand op perceelniveau aangepast, maar verandert het vastgestelde peil in het oppervlaktewaterlichaam nauwelijks. Een peilverandering kan wel optreden als water vanuit het oppervlaktewater in drainagesystemen wordt ingelaten, met name bij gestuurde systemen.

2.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

3.

Beschermde gebieden waterhuishouding en beekdalen
Peilafwijkingen die een structureel hydrologisch negatief effect hebben op de natuur gerichte waterhuishouding zijn niet toegestaan. Peilafwijkingen die de waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan als het hydrologisch negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Ook indien de ingreep een gewenst effect heeft op de natuurfuncties, al is het doel van de ingreep niet primair op natuur gericht, dan kan de ingreep onder voorwaarden worden toegestaan.

De vastgestelde GGOR visies dan wel -plan voor Natura 2000 gebieden en/of natte natuurparels gelden als toetsingskader. Daar waar deze nog niet zijn vastgesteld geldt een stand-stil met betrekking tot op moment van de aanvraag gehanteerde peilen. Als de effecten van peilafwijkingen negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden of zullen er voorwaarden aan de vergunning worden gesteld.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
In specifieke gebieden binnen de EHS en oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurwaarde kan een peilafwijking onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van een vergunning of het eisen van extra (compenserende) maatregelen.

Attentiegebieden
Peilafwijkingen mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in natte natuurparels. Peilafwijkingen die de gewenste waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de peilafwijking wordt getoetst op de rand van de natte natuurparel.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.

Beperkt beschermde gebieden
Peilafwijkingen mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen. Peilafwijkingen die de gewenste waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de peilafwijking wordt getoetst op de rand van het habitatrichtlijngebied.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.

Wijstgebieden
- Activiteiten die tot een structurele daling van de grondwaterstand leiden, kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
- Activiteiten die tot een structureel grotere afstand leiden tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
-Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.

4.

De wijziging van het peil mag geen negatieve gevolgen hebben voor de wijze van het onderhoud van bestaande werken, of de watergang, of voor de stabiliteit van de taluds van de watergang en stabiliteit van de waterkering.

Hoofdstuk 2: Beleidsregel Plaatsen van lijnvormige obstakels haaks op wateren

Artikel 2.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven

2.

Lijnvormig obstakel haaks op de watergang: een object dat over het algemeen ten doel heeft een terrein af te sluiten of af te schermen.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op lijnvormige obstakels haaks op de waterloop in de beschermingszone. Voor veekeringen bestaat een algemene regel. De beleidsregel geldt niet voor de veekeringen die onder die algemene regel vallen.

Artikel 2.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van lijnvormige obstakels haaks op de waterloop gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de wateren en dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd.

Artikel 2.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Langs a-wateren ligt een beschermingszone zoals vastgelegd in de legger. Deze beschermingszones hebben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. De wijze van het uitvoeren van onderhoud wordt beheerst door de (beleids)regels van het waterschap. Het is niet de bedoeling om de wijze van uitvoering van onderhoud aan te passen aan individuele gevallen. Het plaatsen van een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop binnen de beschermingszone heeft dan ook tot gevolg dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van het water wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is dan ook bepalend voor het al dan niet verlenen van een watervergunning.

2.

Een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen moet worden dat het profiel van een water wordt aangetast.

3.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

Artikel 2.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop worden zoveel mogelijk beperkt tot de kruising met openbare wegen of openbaar gebied.
  2. Op de beschermingszone langs het oppervlaktewaterlichaam moet een doorgang worden geplaatst met een breedte van minimaal vier meter. Indien een kleinere beschermingszone is vastgesteld dan vier meter moet de poort minimaal de breedte van de vastgestelde beschermingszone hebben.
  3. Eventueel aan te brengen slootwaaiers haaks op oppervlaktewaterlichamen mogen niet in het natte profiel worden geplaatst in verband met vuilophoping.
  4. Het onderhoud mag door het lijnvormig obstakel haaks op de waterloop niet significant worden verzwaard.
  5. Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop, die niet voldoen aan punt 1 tot en met 4, kunnen worden toegestaan indien:
    • de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en
    • de overzijde toegankelijk is voor huidig en toekomstig onderhoud. Dit is het geval indien:
      1. aan de overzijde een obstakelvrije en voldoende brede strook grond ligt die in eigendom is van het waterschap, of
      2. aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrij en voldoende breed stuk grond. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijke zakelijk recht:
        • de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en
        • altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en
        • de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
  6. Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties aan beide zijden bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 5 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter aanwezig is.
2.

De stabiliteit van de oever en het talud mag door het plaatsen van een lijnvormig obstakel haaks op de waterloop niet verminderen.

3.
  1. Afrasteringen die haaks op oppervlaktewaterlichamen met schrikdraad worden aangebracht, worden enkel toegestaan, als deze ter hoogte van het oppervlaktewaterlichaam zijn voorzien van voldoende isolerende handgrepen/voorzieningen.
  2. Wanneer de doorgang afgesloten moet worden, is deze bij voorkeur voorzien van een slot van het waterschap. Indien dit niet mogelijk is kan de doorgang worden (af)gesloten zodanig dat het waterschap deze op een eenvoudige manier kan openen.
  3. De sluitzijde van een draaiende poort moet aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam komen. Dit betekent dat de poort opent van het oppervlaktewaterlichaam af richting het perceel.
4.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

Hoofdstuk 3: Beleidsregel Werken en objecten in de watergang en beschermingszone

Artikel 3.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Werken en objecten: bijvoorbeeld toestellen, hekwerken, schuttingen en beplantingen. Ook emissieschermen en andere lijnvormige objecten evenwijdig aan de waterloop vallen onder deze beleidsregel.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op werken en objecten in de watergang en in de beschermingszone. Sommige objecten en bouwwerken bevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel oppervlaktewaterlichamen. Voor deze werken (bruggen, stuwen, oevervoorzieningen, etc.) zijn afzonderlijk algemene- of beleidsregels opgesteld.
Wanneer een werk of object niet valt onder een specifieke beleidsregel of algemene regel, kan deze worden beschouwd als werk of object in de zin van deze beleidsregel.

Artikel 3.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van werken en objecten in de watergang en de beschermingszone gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de wateren en dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd.

Artikel 3.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Werken en objecten in de beschermingszone zijn niet wenselijk, omdat deze een negatief effect (kunnen) hebben op de bereikbaarheid en het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam. Werken en objecten in de watergang kunnen daarnaast zorgen voor opstuwing.

2.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

3.

Een van de functies van beschermingszones is het kunnen uitvoeren van machinaal onderhoud. Werken in de beschermingszone zijn in principe dan ook niet gewenst. Het is niet de bedoeling de wijze van onderhoud aan te passen aan nieuwe werken. Een object dat gelijk ligt aan het bestaande maaiveld, waarbij de ontvangstplicht van maaisel geen probleem is, en voldoende stabiliteit biedt voor onderhoudsmachines vormt geen obstakel voor het onderhoud. Ook objecten die paalvormig zijn (bijvoorbeeld bomen), en op een regelmatige voldoende ruime afstand staan en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden, hoeven geen belemmering te zijn voor doelmatig onderhoud. Hiervoor gelden dan ook ruimere toetsingscriteria.

4.

Als een object of werk te dicht op de insteek wordt geplaatst kan dit van invloed zijn op de stabiliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Het talud/oever zou daardoor kunnen verzakken waardoor de doorstroming van het water vermindert.

5.

Bomen en andere oeverbeplanting kunnen een positieve bijdrage leveren aan waterkwaliteit en de ecologische waarden. Om die reden kunnen deze eerder worden toegestaan op het talud of in het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Werken in of op a- en b-wateren worden niet toegestaan, tenzij een zwaarwegend (maatschappelijk) belang bestaat. Uitzondering hierop zijn bomen en andere oeverbeplanting op een stuk (flauw) talud dat buiten het natte profiel valt en die het onderhoud niet hinderen.
  2. Bij werken in a- of b- wateren wordt getoetst op het effect op de vastgestelde natuurwaarden. Negatieve effecten op deze natuurwaarden worden niet toegestaan.
2.
  1. Indien objecten gelijk met of onder het maaiveld worden aangebracht en die geen belemmeringen met zich meebrengen voor het huidige en toekomstige onderhoud, zoals verharding (bijvoorbeeld bestrating, steiger,  veegvuiluitdraaiplaatsen), kan een watervergunning aan beide zijden worden verleend  zolang de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft en de taluds niet uitspoelen of inzakken bij belasting door onderhoudsmachines.
  2. Paalvormige objecten in de beschermingszone kunnen worden toegestaan indien het objecten betreft die op een onderlinge afstand staan van tenminste 10 meter hart op hart en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden.
  3. Objecten of werken in de beschermingszone, die niet voldoen aan punt 1 en 2, kunnen worden toegestaan indien:
    • de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het huidige en toekomstige onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en
    • de overzijde toegankelijk is voor onderhoud. Dit is het geval indien:
      1. aan de overzijde een obstakelvrije en voldoende brede strook grond ligt die in eigendom is van het waterschap, of
      2. aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrij en voldoende breed stuk grond. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijke zakelijk recht:
        • de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en
        • altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en
        • de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
  4. Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties aan beide zijden bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 3 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter aanwezig is voor inspectie.
  5. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de Keur, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
3.

Een werk of object mag de stabiliteit van het talud en/of de beschermingszone niet negatief beïnvloeden.

4.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

Hoofdstuk 4: Beleidsregel Werkzaamheden in bergingsgebieden

Artikel 4.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur, is het verboden zonder vergunning gebruik te maken van een bergingsgebied door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

  1. het maaiveld te verhogen;
  2. waterkerende constructies aan te brengen, te wijzigen of te verwijderen;
  3. bouwwerken aan te brengen of te wijzigen.
2.

Deze beleidsregel is van toepassing op bergingsgebieden. Deze beleidsregel geldt niet voor reserveringsgebieden, omdat dit geen bergingsgebieden zijn in de zin van de Waterwet.

Artikel 4.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van bergingsgebieden, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de bergingscapaciteit.

Artikel 4.3: Motivering van de beleidsregel

1.

De bedoeling is dat ze (grote) hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. De vastgestelde bergingsgebieden kunnen zowel betrekking hebben op nieuwe gebieden die nu nog niet regelmatig inunderen, als op het langer vasthouden van het water in bestaande gebieden die wel regelmatig inunderen.
Binnen de in de legger aangewezen bergingsgebieden dient de eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk inunderen en/of dat water tijdelijk op zijn grond wordt vastgehouden.

Bij ingrepen in bergingsgebieden gaat het om activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de bergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie dient het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig te worden gecompenseerd.

Bergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang, omdat ze kunnen worden ingezet bij het voorkomen van wateroverlast op andere plaatsen. Uitgangspunt bij tegenstrijdigheid/overlap in beleid tussen beschermd gebied en bergingsgebieden is dat de effecten van bergingscapaciteit boven de effecten voor hydrologisch herstel gaan.

Artikel 4.4: Toetsingscriteria

  1. Elke afname van het waterbergend vermogen in een bergingsgebied, moet worden gecompenseerd;
  2. Ingrepen mogen geen negatieve invloed hebben op de werking van het bergingsgebied.

Hoofdstuk 5: Beleidsregel duikers en bruggen

Artikel 5.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder vergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Duiker: een buis in een oppervlaktewaterlichaam, die bedoeld is om de waterafvoer mogelijk te houden.

Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de overgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam.

De hoogwaterlijn is de waterhoogte die bij hoogwaterafvoer verwacht wordt.

Onderhoudspeil: het waterpeil dat wordt ingesteld bij a-wateren ten behoeve van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle a-wateren, en op b-wateren voor zover de duiker/brug buiten de reikwijdte van de algemene regel valt.

Artikel 5.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden van het doorstroomprofiel en de bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds, het behouden van een goede ecologie in de waterloop en het waarborgen van een doelmatige wijze van onderhoud.

Artikel 5.3: Motivering van de beleidsregel

1.

De meest voorkomende redenen voor het aanleggen van een brug of duiker zijn perceelsontsluiting en infrastructurele werken. Voor perceelsontsluitingen is slechts een beperkte lengte nodig.
Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de diameter van de duiker treedt opstuwing en verlies aan berging op, wat problemen kan geven bij bijvoorbeeld piekafvoeren.

Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug vrijwel geen effect op de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam. Bij lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt.

Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst.
Negatieve effecten moeten worden voorkomen.

2.

Bij een duiker/brug in/over een a-water is het belangrijk dat het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Hierbij speelt de afstand tussen in de watergang aanwezige werken een rol. Daarnaast is bij bruggen de hoogte van de brug ten opzichte van het waterpeil van belang, om vuilophoping tegen te gaan en om varend onderhoud mogelijk te houden.
Indien een brug doorloopt op de beschermingszone moet getoetst worden aan: Beleidsregel voor werken en objecten in de watergang en de beschermingszone (beleidsregel 3).

3.

Bij het aanleggen van een duiker/brug moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de taluds. Daarom zijn er toetsingscriteria opgenomen om een goede taludafwerking te waarborgen.

4.

Niet alleen de water aan- en afvoer wordt door duikers beïnvloed. Ze kunnen ook invloed hebben op de waterkwaliteit en ecologie. Door een duiker wordt de oever onderbroken en het open water afgedekt. Dit kan onder andere negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) en de migratie van water- en oeverdieren en de verspreiding van plantensoorten. Zowel voor de waterkwaliteit als de waterkwantiteit vanuit ecologisch oogpunt, is het van belang dat er zo min mogelijk duikers voorkomen.

De ecologische effecten van bruggen zijn vele malen kleiner dan bij duikers, omdat de oevers en waterbodem wel doorlopen onder de brug. Daarom gaat bij waterlopen met een vastgestelde ecologische functie de voorkeur uit naar het aanleggen van een brug.

Duikers in waterkeringen zijn ongewenst omdat deze de waterkerende functie aantasten. Wanneer deze toch noodzakelijk zijn voor de ontwatering van het achterliggende gebied, dienen deze duikers te worden voorzien van een waterkerende constructie. Daarnaast moet getoetst worden aan: Beleidsregel algemene toetsingscriteria waterkeringen (beleidsregel 15).

De duiker/brug mag het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet belemmeren.

Artikel 5.4: Toetsingscriteria

1.
-

In principe worden er géén duikers en/of bruggen in a-wateren toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn:
- Een duiker/brug die nodig is voor perceelsontsluiting en waarbij het perceel niet op andere wijze is, of kan worden ontsloten;
- Bij een watergang met een vastgestelde ecologische functie gaat de voorkeur uit naar de aanleg van een brug. Alleen als een brug redelijkerwijs niet mogelijk is, kan een duiker worden toegestaan. Extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument;
- Percelen die over een afstand van meer dan 100 meter grenzen aan een a-water, kan een extra duiker/brug worden toegestaan om het perceel beter te ontsluiten;
- Bedrijven die vanwege bedrijfhygiënische redenen of andere wetgeving een extra duiker/brug nodig hebben;
- Duikers/bruggen die vanwege infrastructurele werken noodzakelijk zijn.

-
  1. Duikers/bruggen in b-wateren worden toegestaan, tenzij deze worden aangelegd in gebieden met een vastgestelde ecologische functie, kwel- of wijstgebieden. In deze gebieden geldt het algemene uitgangspunt van zoveel mogelijk open water. Duikers/bruggen in een b-water in deze gebieden kunnen hier, naast het afvoeren en bergen van water, de andere functies van de watergang beperken.
  2. Duikers en bruggen mogen geen wateroverlast of -schaarste geven. Hierbij moet getoetst worden aan water aan- en afvoer, waterberging, ontwatering, afwatering van percelen, etc.
2.
  1. Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden er eisen aan de afmetingen gesteld van de duiker of brug. Daarbij mogen de duikers/bruggen geen significant opstuwend effect geven, het benodigd bergend vermogen niet verminderen en geen significant negatieve ecologische effecten geven. Indien er duidelijk een negatief effect is, zal de vergunning niet verleend worden.
  2. Voor a-wateren geldt dat duikers/bruggen niet langer mogen zijn dan strikt noodzakelijk.
    Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met:
    • verkeer dat over de duiker/brug heen moet waarbij rekening gehouden wordt met de breedte, lengte en de draaicirkel van de voertuigen, en;
    • de verkeersveiligheid, en;
    • samenvoegingen van ontsluitingen voor meerdere gebruikers tot 1 brug/duiker moeten waar mogelijk gebruikt worden.
  3. In beginsel zijn pijlers bij bruggen in het doorstroomprofiel van a-wateren niet toegestaan. Indien pijlers toch noodzakelijk zijn, kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden ter waarborging van een goede staat van onderhoud en doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam.
  4. De onderkant van de brugconstructie dient bij voorkeur minimaal 0,5 meter boven de hoogwaterlijn te liggen, met name om vuilophoping en opstuwing te voorkomen.

Daar waar een duiker wordt aangelegd met een opstuwende functie moet tevens getoetst worden aan de beleidsregels “Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam”.

3.
  1. Daar waar in a-wateren het onderhoud varend wordt uitgevoerd worden geen duikers toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn duikers voor infrastructurele werken waar een brug technisch niet mogelijk is. Hierbij dient het onderhoud van het oppervlaktewater gewaarborgd te blijven. Dit kan door bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats voor de maaiboot te realiseren nabij de duiker.
    Bruggen moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een hoogte van 1,5 meter van de onderkant van de brug ten opzichte van het onderhoudspeil en een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
  2. De aanleg en aanwezigheid van de duiker/ brug mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen de twee werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit minimaal 10 meter tussen de verschillende werken.
    Bij langere duikers dient per 80 meter en bij ieder knikpunt een inspectieput aangelegd te worden.
  3. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de Keur, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.

 

4.

Duikers door waterkeringen worden in principe niet vergund. Alleen bij zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. Indien een duiker door een waterkering wordt aangelegd, mag de waterkerende functie van de waterkering niet worden aangetast en moet de duiker voorzien worden van een afsluitconstructie.

5.
  1. De aanleg van een brug mag het eventuele gebruik van een watergang aangewezen als vaarweg niet belemmeren. Dit betekent dat een minimale doorvaarhoogte en breedte van de brug in de vergunning opgenomen kan worden.
  2. De aanleg van een duiker in een vaarweg, wordt niet toegestaan.
6.

De duiker/brug mag de stabiliteit van de taluds en bodem van het oppervlaktewaterlichaam niet aantasten. In de watervergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ter voorkoming van negatieve effecten.

7.

Duikers/bruggen in een oppervlaktewaterlichaam met een vastgestelde ecologische functie mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. In de watervergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ter voorkoming van negatieve effecten. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan faunapasseerbaarheid.

Hoofdstuk 6: Beleidsregel Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder vergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
Daarnaast is het op grond van artikel 3.1, tweede lid verboden zonder vergunning een oppervlaktewater-lichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen.

2.

Dempen: Onder dempen wordt in dit kader verstaan het verkleinen van het profiel van het oppervlakte-waterlichaam(geheel of gedeeltelijk dempen).

Graven: Onder graven wordt verstaan: het wijzigen of vergroten van het profiel van het in het bestaande watersysteem aanwezige oppervlaktewaterlichaam en het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam.

Beschermde gebieden waterhuishouding: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beschermde gebieden waterhuishouding zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening Water. Hieronder valt de ecologische hoofdstructuur (EHS - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).

Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Natuurbeschermingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Provinciale Verordening Water.

Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.

Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beekdalen betreffen kwelgebieden in de AHS die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheersgebied van het waterschap gerekend kunnen worden.

Wijstgebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgebieden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de het Provinciaal Waterplan, aangeduid als “projectgebieden Wijst”.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle a- en b-wateren, en voor c-wateren voor zover dit niet is vrijgesteld onder algemene regel 4.

Artikel 6.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om wateroverlast, dan wel watertekort te voorkomen. Hierbij is het doel dat de water aan- en afvoer en de benodigde waterberging tenminste hetzelfde blijven. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig beheer en onderhoud van a-wateren uit te kunnen voeren.
Voor de beschermde gebieden keur wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het bij voorkeur het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still voor de natuur.

Artikel 6.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Met een demping of vergroting van oppervlaktewaterlichamen wordt de bestaande afwatering en water-aanvoer veranderd. Een demping mag niet leiden tot een afname van de benodigde bergingscapaciteit van het watersysteem, tenzij deze maatregel is gericht op verbetering van het watersysteem.
Daarnaast wordt de aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam binnen de beschermde gebieden keur alleen toegestaan, indien deze cumulatief tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt.

2.

In peilbesluitgebieden wordt uitgegaan van het zogenaamde “stand-still” principe. Bij iedere demping dient de afname van de hoeveelheid open waterberging in principe dan ook minimaal te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij de ingreep. Het kan echter voorkomen dat er geen mogelijkheid is tot compenseren in hetzelfde peilgebied. Ook voor grote inrichtingsplannen bestaat vaak de wens om te compenseren in een ander peilgebied.

3.

Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen de ecologische hoofdstructuur dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.
In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.

Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).
Doorgaans heeft het dempen van een watergang een positief hydrologisch effect voor de beschermde gebieden, en het graven van een watergang een verdrogend effect.

4.

De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden waterhuishouding.

5.

De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.

6.

De beekdalen zijn gebieden in de AHS die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt een zelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden Waterhuishouding.

7.

In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.

8.

Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewater-lichaam, moeten doelmatige onderhoudsmogelijkheden van a-wateren aanwezig blijven.
Dit betekent dat bij de aanleg van a-wateren en het graven van oppervlaktewaterlichamen in de beschermingszone, geborgd moet worden dat een obstakelvrije beschermingszone bestaat.

9.

Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van oevers en het talud wordt gewaarborgd. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever/ taluds.

10.

Ook kunnen (ongewenste) effecten optreden op een aan het oppervlaktewaterlichaam toegekende ecologische functie. Bij een (gedeeltelijke) demping kan de doorstroming verminderen waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren wordt bedreigd. In watergangen met een specifieke natuurwaarde kan een aanpassing van het profiel onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor specifieke voorschriften in de vergunning, dan wel het weigeren van een vergunning.

Artikel 6.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Er moet worden aangeven op welke manier en op welke plek de vermindering van het benodigde bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd.
  2. De compensatie moet bij voorkeur vooraf aan het dempen zijn uitgevoerd.
  3. Voor dempingen in peilbesluitgebieden geldt:
    1. Demping 1:1 compenseren in het zelfde peilgebied; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar b.
    2. Demping compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil). Indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar c.
    3. Demping compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar d.
    4. Demping compenseren in het zelfde bemalingsgebied.

Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren in hetzelfde peilgebied) moet terughoudend worden omgegaan. Het uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem.

Uitzondering op de regel dat altijd gecompenseerd moet worden in peilbesluitgebieden, is als het uit oogpunt van verdrogingbestrijding gewenst is dat een watergang gedempt wordt. Er kan dan een vergunning worden verleend zonder dat compensatie van de waterberging noodzakelijk is.
Daarnaast geldt voor de wijstgebieden dat compensatie van demping niet noodzakelijk is, indien demping niet leidt tot externe negatieve waterhuishoudkundige effecten.

2.
  1. Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen mag geen directe verbinding ontstaan tussen verschillende peilgebieden.
  2. De aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam binnen de beschermde gebieden keur en de beekdalen, wordt alleen toegestaan indien deze cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt.
  3. Voor wijstgebieden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op minimaal stand-still in het Wijstgebied.
  4. Voor de beperkt beschermde gebieden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op minimaal stand-still in de habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen.
  5. Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, moet doelmatige onderhoud van de a-wateren mogelijk blijven.
  6. Bij de aanleg van een natuurvriendelijke oever in een a-water, kan de vereiste beschermingszone gecombineerd worden met het talud. Hierbij hangt het af van de grondslag welke taludhelling aanvaardbaar is. Doorgaans is er geen probleem indien het bovenwatertalud 1:8 of flauwer is.

Hoofdstuk 7: Beleidsregel Kabels en leidingen oppervlaktewaterlichamen

Artikel 7.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

Daarnaast is op grond van artikel 3.1 derde lid van de keur het verboden zonder watervergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Kabels en leidingen: alle kabels en leidingen ongeacht diameter of functie. Voor het oppervlaktewaterlichaam maakt het niet uit of het een kabel of een leiding betreft.
Voorbeelden van leidingen zijn vrij lozende leidingen (bijvoorbeeld rioolleiding), druk- of pijpleidingen (bijvoorbeeld persriool, water, gas). Kabels zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen en vervangen van kabels en leidingen in en nabij a-wateren inclusief beschermingszones en door middel van graven en in het profiel van vrije ruimte door middel van een gestuurde boring en graven. Voor overige kabels en leidingen is de algemene regel van toepassing.
Benodigde regel- en schakelkasten moeten worden getoetst aan de beleidsregel “Werken en objecten in de watergang en beschermingszone”.

Artikel 7.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van kabels en leidingen is dit het in stand houden van de functie van de watergang (bijvoorbeeld vaarweg), stabiliteit van de taluds/oevers, het waarborgen van normale onderhoudswerkzaamheden en de doorstroming van het water tijdens en na de aanleg ervan.

Artikel 7.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Kabels en leiding kunnen zowel parallel aan als kruisend ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden aan, over of onder kunstwerken, of over of onder het oppervlaktewaterlichaam door.

De genoemde afstandsmaten in de algemene regel over kabels van leidingen zijn ook voor deze beleidsregel van toepassing. Om het aantal kruisingen zo beperkt mogelijk te houden moet er zoveel mogelijk gebundeld worden. Ook moet het geplande tracé noodzakelijk zijn. Als er een redelijk alternatief zonder kruising van waterstaatswerken aanwezig is, dient dat gekozen te worden.

2.

De doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet in het profiel van het oppervlaktewaterlichaam lopen. Er zijn voorschriften waarop kabels en leidingen ten opzichte van het (legger)profiel dienen te worden aangebracht.

3.

Van belang is dat kabels en leidingen niet worden beschadigd als onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd.

4.

Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oevers/ taluds. Wanneer een leiding eenmaal is ingegraven of geboord zou het voor kunnen komen dat deze beschadigd raakt. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan de aan te leggen of te verwijderen werken en de wijze van uitvoering.
Tevens kunnen oppervlaktewaterlichamen voorzien zijn van verticale verdediging (kademuren, damwanden, etc). In die gevallen kan het belangrijk zijn om aanvullende voorschriften te stellen.

5.

Kabels en leidingen mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Bij meanderende oppervlaktewaterlichamen zal de ligging ervan in de tijd kunnen veranderen (profiel van vrije ruimte). Om er voor te zorgen dat de kabel/leiding niet wordt blootgespoeld kunnen nadere eisen aan de diepteligging van de kabel/leiding worden gesteld. Hierbij kan een afweging worden gemaakt tussen de economische levensduur en de snelheid van meanderen.

Artikel 7.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Leidingkruisingen dienen zoveel mogelijk ter plaatse van bestaande duikers en bruggen of een bestaand leidingtracé te worden gerealiseerd.
  2. Kabels en leidingen die een oppervlaktewaterlichaam kruisen moeten dat oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk haaks kruisen.
  3. In het profiel van vrije ruimte geldt dat ter bescherming van de kabels of leidingen de oever of de bodem niet mag worden vastgelegd. Zodra als gevolg van meanderen niet meer aan de gestelde normen wordt voldaan, dient de bestaande kabel of leiding door en op kosten van de kabel- of leidingbeheerder te worden aangepast.
2.
  1. Voor de maten van het aanleggen van kabels en leidingen ten opzichte van de bodem, het talud en het maaiveld dient te worden voldaan aan de maten zoals genoemd in de algemene regel van kabels en leidingen.
  2. In het profiel van vrije ruimte moet de maatvoering voor nieuw te leggen kabels en leidingen dusdanig worden vastgesteld dat toekomstige ontwikkeling mogelijk blijft.
3.
  1. Tijdens de uitvoering van de werken dient de waterafvoer te allen tijde te zijn gegarandeerd.
  2. Voor eventueel noodzakelijke hulpconstructies bij aanleg in het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone, zoals damwanden, bouwputten en omleidingen, die niet onder de algemene regel van bijkomende werkzaamheden vallen, kunnen aanvullende voorschriften worden opgenomen ter bescherming van de doorstroming/stabiliteit.

Hoofdstuk 8: Beleidsregel Oeverbeschermende voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen

Artikel 8.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Oeverbeschermende voorziening: een oeverbeschermende voorziening wordt als een werk beschouwd. Met werken wordt bedoeld alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen. Als voorbeeld kunnen genoemd worden beschoeiing, damwand, keerwand, etc.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op het plaatsen, behouden, wijzigen en verwijderen van oever-beschermende voorzieningen in a-wateren, en in b-wateren indien de bergings- en de doorstroomcapaciteit van dat b-water verandert.

Artikel 8.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het waarborgen van voldoende doorstroming en bergingscapaciteit. Specifiek voor a-wateren is het doel daarnaast het in stand houden van het leggerprofiel en het waarborgen van de gewone en buitengewone onderhoudsmogelijkheden. Daarnaast moet het profiel van vrije ruimte worden gerespecteerd.

Artikel 8.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Oeverbeschermende voorzieningen zijn meestal bedoeld als beschermingsmaatregel tegen oeverafkalving. Voor b-wateren is dit grotendeels vrijgegeven in de algemene regel. Daar waar afgeweken wordt van deze algemene regel moet getoetst worden aan de beleidsregels 1, Peilafwijkingen in een oppervlaktewater-lichaam, waaronder begrepen onderbemalingen en/of beleidsregel 6 Dempen en graven oppervlaktewater-lichamen. Het uitgangspunt bij a-wateren is dat we deze oppervlaktewaterlichamen zo natuurlijk mogelijk inrichten. Zeker bij de wateren met een ecologische functie, en wateren waarlangs een profiel van vrije ruimte is vastgesteld.
Uitzondering op dit algemene uitgangspunt zijn de kanalen en vaarwegen omdat deze meestal niet zijn aangelegd met een natuurdoelstelling.

Natuurlijke deformatie van de oevers behoort tot het normaal maatschappelijk risico van de eigenaar of pachter. Bepalend is of de oevererosie een gevaar vormt voor de waterstaatkundige functie van het oppervlaktewaterlichaam. Is dit het geval, dan kunnen eventuele herstelmaatregelen worden uitgevoerd die primair vanuit de taakstelling of de onderhoudsplicht van het waterschap gericht zijn op de waterstaat-kundige verzorging van het gebied. De bescherming van de individuele eigendommen ligt bij de eigenaar, maar de waterhuishoudkundige belangen wegen zwaarder dan het individuele belang

2.

Daar waar door het aanleggen van de oeverbeschermende voorzieningen het profiel van de watergang wordt aangepast, moet ook getoetst worden aan de beleidsregel “Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen”.

3.

Het onderhoud van de watergang moet gewaarborgd blijven bij en na de aanleg van de oeverbeschermende voorzieningen.

4.

Werken in het oppervlaktewaterlichaam (in de beschermingszone) kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele reeds bestaande werken aantasten.

5.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

Artikel 8.4: Toetsingscriteria

Uitgangspunt is dat natuurlijke processen in oppervlaktewaterlichamen zoveel mogelijk kunnen plaatsvinden. Om deze reden wordt in beginsel geen vergunning verleend voor het aanbrengen van oeverbeschermende voorzieningen. Immers, als hiervoor vermeld, behoort natuurlijke deformatie van de oevers tot het normaal maatschappelijk risico van de eigenaar of pachter. Hierop bestaat echter een aantal uitzonderingen.

  1. In geval van onevenredige (dreigende) aantasting van particulier eigendom of het ontstaan van maatschappelijk ongewenste situaties kan oeverversterking noodzakelijk zijn. Dit geldt limitatief voor:
    1. schade aan kunstwerken of wegen;
    2. schade aan bebouwing / cultuurhistorische objecten (bijv. watermolens);
    3. schade aan belangrijke landschappelijke waarden (o.a. oude bomen in landgoederen);
  2. In geval van afkalving als gevolg van eigen handelen door de aangrenzende eigenaar (bijvoorbeeld grondbewerking tot aan de insteek) wordt geen oeverbeschermende voorziening toegestaan.
  3. Bij kanalen en vaarwegen worden oeverbeschermende voorzieningen toegestaan indien er schade door scheepvaart wordt verwacht.
  4. De oeverbeschermende voorzieningen moeten bij voorkeur gemaakt zijn van natuurlijk materiaal, zoals levende wilgentenen, palen met planken, enz.

 

1.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

Hoofdstuk 9: Beleidsregel Onttrekken van water aan een oppervlaktelichaam

Artikel 9.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.7 van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

2.

Deze beleidsregel is van toepassing op onttrekkingen uit een oppervlaktewaterlichaam met een debiet van meer dan 100 m3 per uur.
Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 3.13 eerste lid van de Keur een onttrekkingsverbod instellen.

Artikel 9.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is overlast als gevolg van onttrekkingen uit oppervlaktewaterlichamen te voorkomen. Het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt namelijk een effect op de stabiliteit, doorstroming, scheepvaart en de ecologische waarden van dat oppervlaktewaterlichaam.
Daarnaast is het doel van deze beleidsregel om te voorkomen dat de onttrekking leidt tot een ongewenste daling van de grondwaterstand.

Artikel 9.3: Motivering en toetsingscriteria van de beleidsregel

Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam mag geen droogteschade veroorzaken. Droogteschade kan ontstaan op verschillende aspecten. Hierbij wordt getoetst aan de doorstroming, stabiliteit, inkomstenderving, ecologie, etc.

Indien er droogteschade kan ontstaan ten gevolge van de onttrekking, moet door middel van compenserende maatregelen deze droogteoverlast teniet worden gedaan.

Indien onttrokken wordt in peilbesluitgebieden, of gebieden met een streefpeil moet naast deze beleidsregel getoetst worden aan de beleidsregel “Beleidsregel peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam, waaronder begrepen onderbemalingen”.
Naast het voorkomen van droogteschade, mag het onttrekken van water geen aanvullende onderhouds-werkzaamheden voor het waterschap of voor derden veroorzaken.

De onttrekking moet getoetst worden aan de effecten op de betreffende scheepvaartfunctie van het oppervlaktewaterlichaam.

 

 

Hoofdstuk 10: Beleidsregel Aanpassen maaiveld

Artikel 10.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle beschermingszones langs a-wateren.

Artikel 10.2: Doel van de beleidsregel

Het is van belang dat de stabiliteit van de oever niet wordt aangetast en dat doelmatig onderhoud van het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd.

Artikel 10.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Als aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone van een a-water wordt uitgevoerd kan hiermee de stabiliteit van het talud of een kunstwerk worden beïnvloed. Er moet voorkomen worden dat het talud inzakt.

2.

Bij het verhogen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het doorgetrokken talud het nieuwe maaiveld raakt. Bij het verlagen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het talud het nieuwe maaiveld raakt. Zie hiervoor de tekening onderaan deze beleidsregel.
De ligging van de nieuwe insteek en de beschermingszone wordt bij significante aanpassing in de vergunning opgenomen.

Ophoging/aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone kan tot gevolg hebben dat de beschermingszone minder toegankelijk wordt voor het onderhoud. Aangezien de beschermingszone juist bedoeld is om het onderhoud aan de watergang goed mogelijk te maken, moet voorkomen worden dat het onderhoud wordt bemoeilijkt.

Bij een vergunningsaanvraag waarin een maaiveldverandering wordt gecombineerd met het aanbrengen van andere obstakels geldt dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt uitgegaan van de insteek en de beschermingszone zoals deze geacht worden te zijn na de verandering van het maaiveld.

3.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

Artikel 10.4: Toetsingscriteria

1.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

2.

Bij het verhogen van het maaiveld wordt de taludhelling bij voorkeur gelijk gehouden aan de bestaande helling. In ieder geval mag de taludhelling niet steiler worden.

3.

Het maaiveld binnen de beschermingszone moet te allen tijde geschikt blijven voor het uitvoeren van het onderhoud. Bij een maaiveldverlaging wordt in ieder geval bezien of de beschermingszone voldoende drooglegging heeft om machinaal onderhoud uit te voeren. Door het ophogen of verlagen van het maaiveld mag er niet een zodanig hoogteverschil ten opzichte van aansluitende percelen ontstaan, dat de berijdbaarheid van de beschermingszone ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud wordt belemmerd of gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Indien een hoogteverschil ontstaat, moet in ieder geval een overbrugbare aansluiting gemaakt worden met het bestaande omliggende maaiveld.

Het onderhoud van de watergang wordt niet aangepast naar aanleiding van de ophoging/aanpassing van het maaiveld. Dit betekent dat de watergang en beschermingszone geschikt moeten blijven voor het huidige en toekomstige onderhoud.

Hoofdstuk 11: Beleidsregel Steigers, vlonder en overhangende bouwwerken

Artikel 11.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.

2.

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst.

Steiger: constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel.

Vlonder: constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op steigers, vlonders en overhangende bouwwerken in a-wateren die:
- een vaarweg zijn, of
- waarbij het onderhoud vanaf de kant plaatsvindt.

Artikel 11.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van het beleid is het mogelijk maken van voorzieningen zoals steigers en vlonders en andere soortgelijke bouwwerken, zonder dat de doorstroming wordt belemmerd. De voorzieningen mogen geen nadelige invloed hebben op de stabiliteit van het talud/oever. Belangrijk aspect is het waarborgen van de mogelijkheden voor gewoon en buitengewoon onderhoud.

Artikel 11.3: Motivering van de beleidsregel

Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken vormen in principe een belemmering voor het onderhoud. Als deze werken niet onder de algemene regels vallen, moet zeer terughoudend worden omgegaan met de aanleg van deze werken.

Voor het gedeelte van de steigers, vlonders en overhangende bouwwerken dat zich op de oever bevindt, moet ook getoetst worden aan de beleidsregel 3 “Werken en objecten in de watergang en beschermingszone”.

Bij een steiger in een a-water is het belangrijk dat het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Hierbij speelt de afstand tussen in de watergang aanwezige werken een rol. Daarnaast is bij steigers de constructie ten opzichte van het waterpeil van belang, om vuilophoping tegen te gaan en om varend onderhoud mogelijk te houden.

Bij vaarwegen geldt dat vanwege hun brede afmetingen, bescheiden steigers of vlonders makkelijker toegestaan kunnen worden. De belemmering voor het onderhoud is daar minder aanwezig. Wel geldt dat de steiger of vlonder geen belemmering voor de scheepvaart mag vormen.

1.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

Artikel 11.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Steigers, vlonders of overhangende bouwwerken moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
  2. De aanleg en aanwezigheid van de steigers, vlonders of overhangende bouwwerken mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen twee werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit minimaal 10 meter tussen de verschillende werken.
  3. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de Keur, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
2.
  1. Aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam kan een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk met de functie aanlegplaats worden aangelegd, en
  2. Er mag geen hinder voor het scheepvaartverkeer optreden.
3.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

Hoofdstuk 12: Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 12.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.7 van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

2.

Deze beleidsregel is van toepassing voor:
- het afwegen van maatwerkvoorschriften voor het brengen van meer dan 50 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen;
- het afwegen van een vergunning voor het brengen van meer dan 100 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen;

Artikel 12.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het voorkomen van een overbelasting van het watersysteem. Het brengen van water in oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt namelijk een effect op de bergingscapaciteit van die oppervlaktewaterlichamen. De doorstroming of de waterkwaliteit kunnen ook worden beïnvloed.

Artikel 12.3: Motivering en toetsingscriteria van de beleidsregel

Overlast en schade kunnen ontstaan op verschillende aspecten. Hierbij wordt getoetst aan de bergings-capaciteit, onderhoud, doorstroming, stabiliteit, natschade, etc.

Het brengen van water mag geen wateroverlast veroorzaken. Daar waar vastgestelde provinciale normen uit de verordening Water gelden, wordt de wateroverlast getoetst op basis van die normen

Indien er wateroverlast kan ontstaan, moet door middel van mitigerende en compenserende maatregelen deze wateroverlast teniet worden gedaan.

Naast het voorkomen van wateroverlast, mag het brengen van water geen aanvullende onderhouds-werkzaamheden voor het waterschap of voor derden veroorzaken.

Hoofdstuk 13: Beleidsregel versnelde afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak

Artikel 13.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.6, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen.

In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met hemelwaterlozingen bij een toename van verhard oppervlak en afgekoppeld verhard oppervlak. Dergelijke ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat het ontvangende watersysteem een extra hoeveelheid water (in een korter tijdsbestek) krijgt te verwerken. Dit kan vaker tot wateroverlast leiden waardoor het waterschap eisen stelt aan dergelijke ontwikkelingen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de inpassing van ontwikkelingen in het bestaande watersysteem moet daarom worden uitgegaan van de volgende principes:

  • ‘niet afwentelen’: oplossingen op de ene plaats mogen niet leiden tot problemen elders;
  • ‘stroomgebiedbenadering’: kijk niet alleen naar het lokale watersysteem maar beschouw het gehele (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling plaatsvindt;
  • ‘trits’ vasthouden-bergen-afvoeren: zoveel mogelijk water vasthouden, vervolgens water bergen en tenslotte pas water afvoeren.
2.

Verhard oppervlak: Al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt naar een oppervlaktewater dan in de huidige situatie zonder verharding.

Toename: Een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak. Vervangende nieuwbouw wordt niet beschouwd als toename verhard oppervlak.

Afkoppelen verhard oppervlak: Onder afkoppelen van verhard oppervlak wordt verstaan het onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie. In plaats daarvan wordt het hemelwater via infiltratie in de bodem of via afstroming of via hemelwaterriolering naar het oppervlaktewater afgevoerd.

Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO): Het nemen van compenserende maatregelen om te voorkomen dat een versnelde afvoer van hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen kan resulteren in over- en onderlast van het ontvangende oppervlaktewatersysteem en het grondwatersysteem.

Voorziening: Een voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. In de voorziening wordt water tijdelijk geborgen en/of geïnfiltreerd in de bodem.

3.

Deze beleidsregel geldt voor de afvoer van hemelwater afkomstig van toename en/of afgekoppeld verhard oppervlak naar oppervlaktewater en er niet wordt voldaan aan de criteria uit de Algemene Regel “Versnelde afvoer hemelwater door verhard oppervlak (artikel 15)”.

Artikel 13.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om de mogelijk versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak of afkoppelen van verhard oppervlak op een optimale wijze in te passen in het bestaande watersysteem waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt.

Artikel 13.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het graven van hemelwaterbuffers of het aanleggen van wadi’s. In sommige gevallen kan de voorkeur juist worden gegeven aan het realiseren van compensatie in het bestaande watersysteem of worden aangesloten bij andere compensatievoorzieningen of wateropgaven.
Op welke wijze een ontwikkeling met een toename aan verharding wordt ingepast, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Op grond van een integrale afweging, waarbij aspecten als oppervlak verharding, bodemgesteldheid, grondgebruik, huidig functioneren (aanliggend) watersysteem worden meegenomen, komen aanvrager en waterschap tot een optimale inpassing van de ontwikkeling in het bestaande watersysteem. Hierbij is het zaak dat het overleg hierover tussen aanvrager/initiatiefnemer en het waterschap in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gestart als onderdeel van het watertoetsproces.

2.

Wateroverlast door versneld afvoeren (3) van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur van het waterschap uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden (1) aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt (2). Het gaat hier dan om een retentievoorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

3.

Bij een uitbreiding van verhard oppervlak of het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak geldt als uitgangspunt dat bij het bepalen van de noodzakelijke compensatieopgave gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Tevens geldt dat in de afweging oog moet zijn voor andere dan kwantitatief hydrologische aspecten. Dit betekent dat met het invullen van de compensatieopgave andere doelstellingen dan hydrologie kunnen worden gerealiseerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de realisatie van ecologische verbindingszones of watersysteemherstelmaatregelen. Ook het toekomstig beheer van de voorziening speelt bij de afweging een belangrijk rol. Er moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat er een versnipperd watersysteem ontstaat. Versnippering maakt het watersysteem minder robuust: het leidt tot suboptimaal gebruik van de beschikbare bergingscapaciteit en er is meer sturing nodig. Hieruit volgt in de toetsingscriteria een aantal uitzonderingen voor de toepassing van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

 

4.

Het waterschap vindt een waterhuishoudkundig onderzoek noodzakelijk ter onderbouwing van de compensatieopgave en de wijze waarop deze wordt ingevuld. Het onderzoek, dat wordt uitgevoerd in opdracht van de aanvrager/initiatiefnemer, zal in overleg met het waterschap plaatsvinden en maakt bij voorkeur onderdeel uit van het watertoetsproces dat initiatiefnemer/aanvrager en waterschap gezamenlijk doorlopen.

5.

Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie moet er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.

6.

Bij glastuinbouwbedrijven wordt een groot deel van het hemelwater opgevangen in bassins en hergebruikt als gietwater. Vanwege het continue (her)gebruik in de kassen zal bij een voldoende minimale inhoud van de bassins er in de zomerperiode (maart t/m september) veelal voldoende ruimte beschikbaar zijn voor het opvangen van hemelwater ter voorkoming van een versnelde afvoer. Voor de periode oktober t/m februari geldt dat minimaal 60 mm retentie in de bassins aanwezig moet zijn.

De bassins kunnen dan ook bij bovenstaande minimale inhoud (mede)gebruikt worden als een voorziening ter voorkoming van een versnelde afvoer van verhard oppervlak zoals bedoeld in deze Beleidsregel.

Artikel 13.4: Toetsingscriteria

1.

Het waterhuishoudkundig onderzoek voldoet aan de richtlijnen die zijn opgenomen in “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De uitkomst van het onderzoek moet onderdeel uit maken van de vergunningaanvraag.

2.

De compensatieplicht is 600 m3 per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. De benodigde capaciteit ligt tussen de kruinhoogte van de noodoverloopconstructie en de bodem van de voorziening. Indien de bodem van de voorziening lager ligt dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), dan geldt de GHG als ondergrens.

3.

Afvoer:
De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen 5 dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.

Noodoverloopconstructie:
Er moet een noodoverloopconstructie op de voorziening aanwezig zijn. Deze moet worden aangelegd conform algemene regel voor lozingsconstructies.

4.

De uitgangspunten van Hydrologisch neutraal ontwikkelen moet altijd gevolgd worden. Afwijken van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is mogelijk wanneer:

  1. met de versnelde afvoer een verdrogingsknelpunt wordt opgelost of verminderd;
  2. met de versnelde afvoer een waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost of een ecologische doelstelling wordt gerealiseerd (bijvoorbeeld door doorstroming te creëren);
  3. de versnelde afvoer van verhard oppervlak deel uitmaakt van een gebiedsgerichte ontwikkeling waarbij binnen een groter gebied hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld;
  4. de versnelde afvoer het gevolg is van afkoppelen van verhard oppervlak;
  5. er sprake is van buitendijkse ontwikkelingen.

Voorwaarden hierbij zijn:
- de versnelde afvoer leidt niet tot overschrijding van normen voor wateroverlast (ook in benedenstroomse gebieden) zoals vastgelegd in de Verordening water van provincie Noord-Brabant;
- de versnelde afvoer leidt niet tot aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud voor derden of het waterschap.

 

 

 

Artikel 13.5: Bijlage 1: Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

1. Inleiding

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Deze rekenregel is onderdeel van de algemene regel en wordt in onderliggend document toegelicht. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Dit document bevat de richtlijnen voor het waterhuishoudkundig onderzoek en kan zowel worden gebruikt door initiatiefnemer of adviesbureau voor het uitvoeren van het waterhuishoudkundig onderzoek, als door het waterschap voor het beoordelen ervan.

Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen en vormt onderdeel van de watertoets. Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt.

Hoofdstuk 2 gaat in op de belangrijkste begrippen die voor zowel de Algemene Regel als de Beleidsregel gelden. Dit hoofdstuk bevat tevens een toelichting op de compensatievoorzieningen die zowel in het kader van de Algemene Regel als deze Beleidsregel aangelegd kunnen worden. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens een toelichting op de Algemene Regel en hoofdstuk 4 geeft een toelichting op de Beleidsregel.

2. Begrippen, grenswaarden en voorzieningen

In de Algemene Regel en in de Beleidsregel wordt een aantal begrippen en grenswaarden gehanteerd en wordt geadviseerd over voorzieningen. Deze worden in deze paragraaf nader toegelicht.

2.1. Toename verhard oppervlak

Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m2 , of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding. In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op wat er onder verhard oppervlak wordt verstaan.

Groene daken (vegetatiedaken)
Alle groene daken worden beschouwd als onverhard oppervlak. Het belangrijkste argument hierbij is dat groene daken, onafhankelijk van de uitvoeringsvorm, altijd bijdragen aan het beperken van de afvoer. Met dit uitgangspunt kunnen gedetailleerde berekeningen per type groen dak worden voorkomen. Groene daken worden niet als reductie op de compensatievoorziening gerekend, omdat het slechts neerslag van het eigen oppervlak vasthoudt.

(On)gedraineerde sportvelden en gedraineerde overige percelen
Grasvelden, kunstgrasvelden, gravel- en atletiekbanen worden beschouwd als onverhard oppervlak. Dat geldt eveneens wanneer deze velden gedraineerd zijn. Dit betekent dat voor (on)gedraineerde sportvelden de Algemene Regel 15 niet van toepassing is en geen compensatie hoeft te worden gerealiseerd. Dit geldt ook voor alle overige gedraineerde, onverharde percelen.

Glastuinbouw
De kassen van de glastuinbouw worden beschouwd als verhard oppervlak.

Containerteelt
Omdat er vele verschijningsvormen van containerteelt zijn, is het niet mogelijk vooraf aan te geven of er sprake is van verhard oppervlak en op basis hiervan duidelijke uitgangspunten te stellen voor situaties waarbij het teeltoppervlak toeneemt. Het is afhankelijk van de inrichting of sprake is van toename verhard oppervlak. Bij ontwikkelingen in de containerteelt is het altijd zaak dat initiatiefnemer voorafgaand contact opneemt met het waterschap over de juiste inpassing in het gebied.

2.2. Grenswaarde 2.000 m2

Het is verantwoord om geen compensatie te eisen voor plannen waarbij de toename van verhard oppervlak minder dan 2.000 m2 is omdat:

  1. Deze oppervlakten hydrologisch gezien tot dermate kleine afvoeren leiden dat deze geen probleem vormen voor de afvoercapaciteit van het afwateringsstelsel. De afvoer van een toename van 2.000 m2 verhard oppervlak bij een T10-bui van 24 uur bedraagt 2,0 l/s. Dit is minder dan 10% van de maatgevende afvoer van de kleinste leggerwaterlopen (30 l/s). Daarnaast treedt er vertraging en demping van de afvoer op als gevolg van bodempassage, infiltratie en verplaatsing door waterlopen (zie verder paragraaf 3.2.).
  2. Van het totaal aan plannen met uitbreidingen van verhard oppervlak voegen plannen met een toename verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 maar weinig toe aan het totaal van toename verhard oppervlak. Onderzoek in het Dommelgebied heeft aangetoond dat het totaal aan 5 toename verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 slechts enkele procenten is van het totaal aan toename verhard oppervlak.
  3. De grens van 2.000 m2 is ook de ondergrens die de drie Brabantse waterschappen in het vorige beleid hanteerden 1 .
  4. Wanneer 2.000 m2 als ondergrens wordt genomen, wordt voorkomen dat er zeer kleine, bedrijfsonzekere voorzieningen ontstaan die lastig te beheren en onderhouden zijn.

2.3. Grenswaarde 10.000 m2

In de Algemene Regel staat beschreven dat voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak, waarvan het oppervlak niet meer bedraagt dan 10.000 m2 , geen compensatie hoeft te worden aangelegd. Er is voor deze grens van 10.000 m2 gekozen omdat het afkoppelen van 10.000 m2 verhard oppervlak, qua toename van de belasting op het oppervlaktewater, overeenkomt met 2.000 m 2 toename verhard oppervlak. Dit wordt toegelicht in onderstaand rekenvoorbeeld (Toelichting 1).

Toelichting 1: Rekenvoorbeeld relatie afkoppelen en toename verhard oppervlak

We beschouwen een periode van 12 uur. In een T100-situatie komt daarbij ongeveer 74 mm neerslag tot afstroming (zie tabel 1).

Afkoppelen
Voor een op de riolering aangesloten verhard oppervlak geldt de volgende afvoer via de riolering: 7 mm + 0,7 mm/h (7 mm is de standaard berging in het riool en 0,7 mm/h is de standaard pompovercapaciteit). Er gaat in 12 uur dus 7 mm + 0,7 * 12 = 15 mm naar de RWZI in het geval van niet-afkoppelen. Wanneer er afgekoppeld wordt en het hemelwater wordt vrijwel op dezelfde locatie geloosd, komt er dus 15 mm meer op het ontvangende watersysteem. Er moet dus in het geval van afkoppelen voor 15 mm per oppervlakte gecompenseerd worden.

Toename verhard oppervlak
Bij toename van het verhard oppervlak gaat er zonder maatregelen 74 mm naar het ontvangende water in 12 uur. Er moet dus ook voor 74 mm gecompenseerd worden.

74 mm / 15 mm = 4,9 = afgerond 5. Dit betekent dat de toename van de belasting op het ontvangende oppervlaktewater bij een af te koppelen verhard oppervlak vijf keer zo klein is als bij een even grote toename van verhard oppervlak. In dit rekenvoorbeeld is één herhalingstijd en één duur gekozen waarbij een verhouding van vijf wordt berekend. Deze verhouding van vijf valt in de range van de gemiddelde verhoudingen bij neerslaggebeurtenissen met een herhalingstijd van T10 tot en met T100 en een duur van 4 tot en met 24 uur. Om praktische redenen wordt het af te koppelen oppervlak dat overeenkomt met 2.000 m2 , afgerond op 10.000 m2 . 

Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met het waterschap bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden. Er is voor deze 10.000 m2 (1 hectare) gekozen op basis van een inventarisatie van de ruimtelijke plannen die Waterschap de Dommel in 2013 heeft behandeld (463 stuks). Hieruit blijkt dat weliswaar slechts bij 10% van alle plannen de toename verhard gebied groter is dan één hectare, maar dat deze plannen wel 90% van de totale toename verhard gebied beslaan. Door de grens van één hectare te hanteren voldoen we, gezien bovenstaande inzichten uit de inventarisatie, aan de wens van maximale deregulering (90% van de plannen heeft dan immers geen vergunning nodig), terwijl we de plannen waar het echt om gaat (90% van de toename verhard gebied) via een vergunningtraject zorgvuldig kunnen behandelen.

2.4. Typen compensatievoorzieningen

Er kunnen verschillende typen compensatievoorzieningen worden toegepast. Deze voorziening kan bijvoorbeeld bestaan uit een wadi, poel, geïsoleerde greppel, ondergrondse bergingskratjes, doorlatende verharding, infiltratieriool of gewoon een verlaagd maaiveld.

Aanbevelingen voor het ontwerpen van een compensatievoorziening zijn:

  • Leg de compensatievoorziening zodanig aan dat deze gemakkelijk te onderhouden is. Hierbij moet gedacht worden aan maaien en schoonmaken. Zo is een droogvallende compensatievoorziening over het algemeen gemakkelijker te onderhouden dan een compensatievoorziening die nooit droogvalt. Een flauw talud is gemakkelijker te onderhouden dan een steil talud. Denk er ook aan dat een bovengrondse compensatievoorziening gemakkelijker (en daarom ook goedkoper) is te onderhouden dan een ondergrondse compensatievoorziening en hierdoor ook bedrijfszekerder is. Bij ondergrondse compensatievoorzieningen is het aan te bevelen een voorfiltering / sedimentvang te plaatsen.
  • Aanbevolen wordt om een veilige compensatievoorziening te maken. Mensen en dieren moeten niet zo maar in de voorziening kunnen vallen of zich zelf kunnen bezeren. Er mogen geen gevaarlijke constructies gebouwd zijn. Dit houdt onder andere in dat de taluds niet te steil mogen zijn.

In overleg met de adviseurs van het waterschap kan een keuze worden gemaakt voor het meest geschikte ontwerp.

3. Toelichting op de Algemene Regel

3.1. De rekenregel

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 2.000 m2 en maximaal 10.000 m 2 . Voor grotere plannen geldt de Beleidsregel (Beleidsregel 13 Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak). Voor plannen kleiner dan 2.000 m2 , groene daken en afkoppelplannen kleiner dan 10.000 m 2 geldt een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie.

Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2 ) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3 ). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden (zie hiervoor ook paragraaf 3.3.). Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt:

Benodigde compensatie (in m3 ) = Toename verhard oppervlak (in m2 ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

Wanneer de vereiste compensatie berekend is, kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. De mate van detaillering is mede afhankelijk van de omvang van de toename van verhard oppervlak en locatiespecifieke omstandigheden. Het ontwerp van de voorziening moet voldoen aan de voorschriften van de Algemene Regels. Dit document beschrijft tevens relevante aandachtspunten die bij verdere uitwerking van de vereiste voorziening betrokken kunnen worden en die gelden als een advies aan de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Als algemeen advies geldt dat het raadzaam is om adviseurs van het waterschap te betrekken bij de uitwerking van het plan.

Achtereenvolgens worden in onderstaande paragrafen de parameters van de rekenregel toegelicht. De parameter Toename verhard oppervlak (in m2 ) is hiervoor al toegelicht in Paragraaf 2.1., de parameter 0,06 (in m) wordt toegelicht in Paragraaf 3.2. en de Gevoeligheidsfactor wordt toegelicht in Paragraaf 3.3. Vervolgens gaat Paragraaf 3.4. over de afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Hierin wordt uitgelegd waarom er voor die 4 cm is gekozen. In Bijlage 1 van dit document is een aantal rekenvoorbeelden opgenomen om de vereiste compensatie te berekenen.

3.2. Factor 0,06 m

De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3 /ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. In deze paragraaf wordt verklaard waarom voor 60 mm compensatie is gekozen. 

De benodigde compensatie is vastgesteld door het verschil te nemen tussen de neerslagbelasting en de afvoer van landelijk gebied. Voor de neerslagbelasting wordt gebruik gemaakt van regenduurlijnen bij het klimaatscenario W voor 2050 en regio G van de KNMI’06 scenario’s (Meteobase, STOWA 2013). Er is van uitgegaan dat de afvoer uit landelijk gebied toeneemt met de herhalingstijd van de neerslagintensiteit. Voor deze toename zijn de gebruikelijke factoren gebruikt:

  • T10-afvoer is 1,4 maal de maatgevende afvoer,
  • T25-afvoer is 1,6 maal de maatgevende afvoer,
  • T50-afvoer is 1,8 maal de maatgevende afvoer,
  • T100-afvoer is 2,0 maal de maatgevende afvoer.

Voor de maatgevende afvoer is het afgeronde gemiddelde van de drie Brabantse waterschappen gekozen (1,0 l/s/ha). In Tabel 1 is per herhalingstijd en per tijdsduur de cumulatieve landelijke afvoer in mm afgetrokken van de cumulatieve neerslag per situatie in mm. Dit resulteert in een hoeveelheid in mm die ‘overblijft’ (compensatie-eis) en die geborgen moet worden.

Klik hier om tabel 1 te openen

De omvang van de compensatie-eis is gebaseerd op een eenvoudige voorstelling van het afvoerproces. De neerslag stroomt niet in zijn geheel stationair af naar het oppervlaktewater. Bij de afstroming over verhard en onverhard oppervlak treden in werkelijkheid al vertraging (looptijd, plasvorming, bodempassage bij bermen) en verliezen (verdamping, infiltratie) op. In het afwateringsstelstel treedt demping van de afvoer op als gevolg van de verplaatsing door en berging in de waterlopen. De demping van de afvoergolf neemt toe en de afvoerintensiteit neemt af naarmate de golf verder benedenstrooms in het afwateringsstelsel komt. Vanwege deze eenvoudige benadering is de gemiddelde compensatie per regenduur en -intensiteit berekend. Van deze gemiddelden is de maximumwaarde aangehouden voor het bepalen van de compensatie-eis (zie Tabel 1): 66 mm, die wordt bereikt na 24 uur. In verband met aftrekposten, zoals berging op straat en berging in het riool, wordt de compensatie-eis afgerond op 60 mm 2 Om een optimum in de doelmatigheid te creëren is er niet voor de maximale compensatie-eis van 79 mm gekozen, maar voor het hoogste gemiddelde.

3.3. Gevoeligheidsfactor

In de Algemene Regel is een gevoeligheidsfactor opgenomen. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼, ½ en 1. Het is gezien het globale karakter van de toets niet zinvol hier meer detail in aan te brengen. Welke gevoeligheidsfactor van toepassing is, kan worden afgelezen van de Kaart Algemene Regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 3 .

Deze kaart bevat slechts drie waarden: laag (¼), gemiddeld (½) en hoog (1). De gevoeligheidsfactoren zijn gebaseerd op de punten aangegeven in Tabel 2.

Klik hier om tabel 1 te openen

De kaart is dus als volgt samengesteld:

Aanduiding hoog (1):
Indien sprake is van:

  1. Binnen de bebouwde kom met een bufferzone van 200 m
  2. Inundatiegebieden T100
  3. Natuurgebieden met aquatische natuurwaarde of doelstellingen
  4. Natte gebieden: Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) kleiner dan 40 cm onder maaiveld. Toelichting ad 3: Onder natuurgebieden wordt verstaan EHS gebieden en waterlopen met een functie viswater, beek- en kreekherstel of KRW-lichaam. Om de EHS wordt de attentiezone (uit de provinciale verordening water) gehanteerd en om waterlopen met de genoemde functies wordt een bufferzone van 200 m gerekend. Frequent terugkerende piekafvoeren hebben een negatief effect op het aquatisch ecosysteem; dieren en substraten spoelen weg bij hoge afvoeren waardoor een verarmd systeem achterblijft.

Aanduiding gemiddeld (½):

  • Indien geen sprake is van hierboven genoemde 1 t/m 3, en
  • de GHG tussen 40-80 cm-mv ligt.

Aanduiding laag (¼):

  • Indien geen sprake is van hierboven genoemde 1 t/m 3, en
  • de GHG groter dan 80 cm-mv ligt.

De gevoeligheidskaart geeft één waarde per perceel. De GHG die het grootste aandeel heeft op een bepaald perceel is leidend voor de gevoeligheidsfactor voor de rest van het perceel. Ook geldt dat wanneer een perceel geraakt wordt door een 200m-bufferzone rondom een bebouwde kom of waterloop met een functie (inclusief attentiezone), dat het perceel de gevoeligheidsfactor 1 krijgt. Bij de gevoeligheidsfactoren ½ en ¼ wordt respectievelijk 30 en 15 mm compensatie vereist in plaats van 60 mm. In gebieden waar deze factoren gelden, is namelijk sprake van infiltratiegebieden en is de afvoercapaciteit van waterlopen relatief groot in verhouding tot de specifieke afvoer voor landelijk gebied.

3.4. Afvoerconstructie 4 cm

De afvoerconstructie moet ervoor zorgen dat de voorziening voldoende wordt benut, weer tijdig beschikbaar komt en dat versnelde afvoer wordt voorkomen. De diameter van 4 cm is op basis van ervaring gekozen als de praktische ondergrens voor een afvoerconstructie. Bij een kleinere diameter is de kans op verstopping te groot. Bij een grotere diameter wordt bij een toename van verhard oppervlak tot 10.000 m2 onvoldoende invulling gegeven aan het beperken van de afvoer. In Toelichting 2 wordt een illustratie gegeven van een afvoer van een voorziening.

Toelichting 2: Diameter van 4 cm voor afvoerconstructie

De afvoer uit een voorziening (m3 /s) is variabel en afhankelijk van de waterstand in de voorziening (Q-H relatie). Voor een eenvoudige, kleine voorziening kiezen we voor een gemiddelde waarde van 2 l/s voor de gehele leegloopduur. Onderstaande figuur laat zien dat deze waarde van 2 l/s optreedt bij een waterschijf van 30 cm in een voorziening van 90 cm hoogte*. Bij een gemiddelde afvoer van 2 l/s is een volume van 600 m3 in 3,5 dag leeggelopen. Het waterschap vindt dit acceptabel voor het beperken van de risico’s op wateroverlast als gevolg van eventuele opeenvolgende buien. In dit geval zal de afvoer van de geheel gevulde voorziening ca. 3 l/s bedragen. Het waterschap staat deze tijdelijke versnelde afvoer toe om praktische redenen.

Klik hier om figuur 2 te openen

Figuur 2: Q-H-relatie knijpconstructie met rond gat met 0,04 m doorsnede.

* Q is bepaald op basis van duikerformule met C = 0,5 (aanname dat gat ruw of vervuild is). Waterstand H ten opzichte van onderkant gat is de waterschijf in de voorziening.

4. Toelichting op de Beleidsregel

4.1. Doel van de beleidsregel: maatwerk

Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 of het afkoppelen van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 is de Beleidsregel van toepassing. De Beleidsregel wordt ook toegepast indien wordt afgeweken van de criteria in de Algemene Regel voor plannen tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 . De Beleidsregel is van toepassing in die gevallen waarin een vergunning vereist is. Voor het bepalen van de vergunningsvoorschriften en het uiteindelijk kunnen verkrijgen van een vergunning is een waterhuishoudkundig plan nodig. De inhoud van het plan, de inpassing in het waterhuishoudkundige systeem en de toe te passen methoden dienen in overleg met het waterschap te worden vastgesteld.

De reden dat deze categorie plannen onder de Beleidsregel valt, is dat het effect van grotere plannen op het afwateringsstelsel en de grondwaterstand groot kan zijn en op een juiste wijze in het gebied moet worden ingepast. Daarbij kan nadrukkelijk ook worden gekeken naar andere doelstellingen of opgaven in het gebied. Voor het bepalen van het effect op het afwateringsstelsel is daarom bij grotere plannen of bij afwijkende situaties een nadere onderbouwing nodig. Voor deze plannen is het uitgangspunt dat de veranderingen van waterstanden, afvoeren en grondwaterstanden in principe geen nadelige gevolgen mogen hebben in de omgeving van het plan. Ook moet het bepalen van de omvang van het verharde oppervlak, de uitwerking van het ontwerp en de werking van de compensatie worden beschreven. In het geval van het toenemen van verhard oppervlak kan bij het dimensioneren van de compensatie 60 mm per toename verhard oppervlak als vertrekpunt voor de maximale compensatieplicht worden gehanteerd. Door maatwerkoplossingen (bijvoorbeeld infiltratievoorzieningen, hergebruik, gezamenlijke compensatie voorzieningen) of specifieke gebiedskenmerken (zoals infiltratiecapaciteit, nauwkeuriger bepalen van de grondwaterstanden), kan de omvang van de compensatie worden beperkt. Wanneer er sprake is van afkoppelen van bestaand verhard oppervlak hangt de benodigde compensatie af van de wijze van afkoppelen. Wordt bijvoorbeeld de bergingsruimte in het rioolstelsel nog benut of niet en wordt het lozingspunt wel of niet verplaatst naar een andere watergang? Bij maatwerkoplossingen dient de uitwerking en het effect te worden aangetoond met waterhuishoudkundig onderzoek. Het waterhuishoudkundig onderzoek gaat ook in op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de compensatie plicht. Afhankelijk van de situatie kan gekozen worden voor een geïsoleerde voorziening en/of voor oplossingen in het bestaande watersysteem.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de praktische aspecten van de Beleidsregel die kunnen worden toegepast in het geval van maatwerk. Paragraaf 4.2. gaat over glastuinbouw, paragraaf 4.3. behandelt de leegloopvoorziening, paragraaf 4.4. gaat over infiltratie en paragraaf 4.5. gaat over de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Tot slot wordt in paragraaf 4.6. beschreven waar een waterhuishoudkundig plan aan moet voldoen.

4.2 Glastuinbouw

Bij glastuinbouwbedrijven worden regenwaterbassins aangelegd met het doel dit regenwater te gebruiken in de kas. Om een duurzaamheidscertificaat (Groen Label Kas) te verkrijgen, dienen bedrijven zoveel mogelijk gebruik te maken van opvang en recirculeren van (hemel)water. Afhankelijk van de teelt in de kas zijn hiervoor bassins noodzakelijk met een inhoud die varieert tussen de 1.000 en 3.000 m3 /ha. Er mag alleen vanuit deze bassins worden geloosd op oppervlaktewater als er geen condenswater wordt opgevangen. Indien wel condenswater wordt opgevangen dient de inhoud van het bassin minimaal 3.500 m3 /ha te zijn.

Vanwege de aanwezigheid van deze regenwaterbassins is het mogelijk om de vereiste compensatie voor de afvoer van hemelwater van verhard oppervlak daarmee als volgt te combineren:

  • In de winterperiode (oktober –t/mfebruari) moet in de bassins altijd een compensatiecompensatie van 600 m3 per ha (60 mm) aan worden gehouden. Hiervoor dient een lozingsconstructie in de vorm van een pijpje of pomp te worden aangelegd met een maximale afvoer van 2 l/s/ha bij volledig gevulde voorziening.
  • In de zomerperiode (maart t/m september) geldt deze eis niet, omdat het gebruik in de kassen dan zorgt voor voldoende compensatie. In de zomermaanden is het gemiddelde gebruik ca. 126 mm/maand. Dat betekent dat in een gemiddelde zomer binnen vijf dagen na regenval er minimaal 20 mm capaciteit beschikbaar is. Bij een hoger verbruik is er meer ruimte beschikbaar.

In de gevallen dat er geen sprake is van bassins met een minimale inhoud van 1000 m3 /ha en de initiatiefnemer toch de compensatie-opgave wil combineren met genoemde regenwaterbassins kunnen afwijkende uitgangspunten worden gehanteerd. Initiatiefnemer dient hiervoor in een vroeg stadium in contact te treden met het waterschap.

4.3. Afvoer uit de voorziening

Afvoer uit een voorziening kan via de bodem plaatsvinden (infiltratie) indien de bodem voldoende doorlatend is. Andere mogelijkheden zijn een grindkoffer, een dam of stuw van doorlatend materiaal of een afvoerconstructie. Een afvoerconstructie kan bestaan uit een schot met een gat, een dam met een pijp of een pomp. Let er hierbij op dat bij een te kleine diameter de kans op verstopping te groot is en bij een grotere diameter de compensatie in feite overgedimensioneerd is en slechts onder heel extreme omstandigheden of bij slecht beheer en onderhoud volledig gevuld zal geraken. De afvoer naar het oppervlaktewater mag maximaal 2 l/s/ha zijn.

Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat wordt uitgegaan van infiltratie, moet de compensatie binnen vijf “droge” dagen (max 2 mm neerslag per 24 uur) weer volledig beschikbaar zijn. Aangezien de waterhoogte gedurende de leegloop van de voorziening kleiner wordt, zal de afvoer geleidelijk afnemen. Tevens zal door infiltratie water uit de voorziening verdwijnen. Indien in de praktijk het water langer blijft staan, dan kan bijvoorbeeld de doorlatendheid van de bodem of dam worden verhoogd door grover materiaal toe te passen.

In Bijlage 2 zijn voorbeelden van goed functionerende afvoerconstructies te vinden. De adviseurs van het waterschap kunnen u adviseren bij het ontwerp van de afvoerconstructie.

4.4. Infiltratie

De bodem in Nederland varieert sterk van samenstelling. Goed en slecht doorlatende lagen wisselen elkaar af. Een maat voor de waterdoorlatendheid van de bodem is de infiltratiecapaciteit. Deze wordt meestal uitgedrukt in een k-waarde (meter per dag). Zandgronden zijn (meestal) goed doorlatend en kleigronden (meestal) slecht. Om dezelfde hoeveelheid hemelwater in de onverzadigde zone boven de GHG te kunnen infiltreren, kan in een zandgrond daarom met een kleinere voorziening volstaan worden dan in een bodem die bestaat uit lemig zand of leem. Bij een in de infiltratiezone gemeten k-waarde van tenminste 2,0 m/dag (en een voldoende diepe GHG) kunnen in de praktijk nagenoeg alle infiltratievoorzieningen aangelegd worden. Bij een k-waarde tussen de 0,4 en 2,0 m/d kan gedacht worden aan de toepassing van wadi’s (en vergelijkbare voorzieningen) ten behoeve van retentie en infiltratie. Bij k-waarden lager dan 0,4 m/d is infiltratie niet zonder meer mogelijk en dient eerst in voldoende mate structuurverbetering van de bodem plaats te vinden. De k-waarde bepaalt in sterke mate de inhoud van de voorziening.

Bij het ontwerp van een infiltratievoorziening moet rekening worden gehouden met het na verloop van tijd teruglopen van de infiltratiecapaciteit (k-waarde), bijvoorbeeld door dichtslibben van de voorziening. Om de infiltratiecapaciteit weer te vergroten (herstellen) dient ook in de ontwerpfase al rekening te worden gehouden met de aard en frequentie van het benodigde onderhoud.

Voor het bepalen van de waterdoorlatendheid van de onverzadigde bovengrond kunnen infiltratiemetingen worden verricht. Aan de hand van deze infiltratiemetingen kan de variatie in waterdoorlatendheid bepaald worden. Op deze wijze kan maximaal gebruik gemaakt worden van de natuurlijke infiltratiecapaciteit van de bodem en een passend ontwerp van de infiltratievoorziening uitgewerkt worden.

Voor het meten van de waterdoorlatendheid moet onderscheid gemaakt worden tussen metingen in de onverzadigde bovengrond en de verzadigde ondergrond. Daarbij hebben in-situ metingen (metingen ‘in het veld’) de voorkeur boven ex-situ metingen (laboratoriumbepalingen).

Voor het bepalen van de waterdoorlatendheid kan onder meer gebruik worden gemaakt van putproeven, omgekeerde putproeven, pompproeven, dubbele-ringinfiltratiemetingen en het bepalen van de korrelgrootteverdeling (zie Tabel 3). Elke van deze methoden kent voor- en nadelen.

Voor metingen in de onverzadigde zone kan gekozen worden voor een dubbele-ringinfiltratiemeting (bepaling verticale waterdoorlatendheid) en/of de omgekeerde putproef (bepaling horizontale waterdoorlatendheid). Het bepalen van een korrelgrootte verdeling is eveneens mogelijk, maar beide in-situ meettechnieken zijn betrouwbaarder.

Voor metingen in de verzadigde zone wordt in de regel gekozen voor een putproef. Deze proef kan uitgevoerd worden door een peilbuis leeg te pompen en de stijging van het water per tijdseenheid te meten of een vaste verlaging in de peilbuis te realiseren en daarbij het afpompdebiet te meten. Met een putproef wordt voornamelijk de horizontale waterdoorlatendheid gemeten. Het bepalen van een korrelgrootte verdeling is eveneens mogelijk, maar een in-situ uitgevoerde putproef is betrouwbaarder.

Klik hier om tabel 3 te openen

Tabel 3: Meetmethoden doorlatendheidsbepaling

Voor een uitgebreidere beschrijving voor de achtergronden van het bepalen van de waterdoorlatendheid wordt verwezen naar het boek Gebruikte Bodem, paragraaf 4.3. Bodemkunde en geohydrologie (SKB, 2009).

In de praktijk komt een scala aan infiltratievoorzieningen voor. Daarbij kan gedacht worden aan wadi’s, zaksloten, infiltratiekratten, infiltratievijvers, infiltratie- en transportriolen (IT-riolen), 14 doorlatende bestrating en infiltratiekelders (zie Tabel 4). Het bepalen van de optimale (combinatie van) meetmethode(n) om de locatie specifieke k-waarde te bepalen, wordt naast een aantal praktische factoren, mede ingegeven door de (verwachte) keuze voor een bepaald type infiltratievoorziening. Daarbij is het van belang om onderscheid te maken tussen voorzieningen die primair gericht zijn op infiltratie in verticale richting (bijvoorbeeld een wadi, zaksloot en infiltratiekratten) en voorzieningen die gericht zijn op infiltratie in horizontale richting (bijvoorbeeld een infiltratiekelder en infiltratiesleuf). Bij IT-riolen, aangelegd in een cunet met goeddoorlatend materiaal, speelt zowel de horizontale als de verticale waterdoorlatendheid van de onverzadigde zone een rol.

Met het uitvoeren van een putproef in de verzadigde zone kan gecontroleerd worden of infiltratie van hemelwater in de onverzadigde zone niet leidt tot een (te) grote peilstijging van het grondwaterpeil in de verzadigde zone.

Klik hier om tabel 4 te openen

Tabel 4: Suggestie(s) voor meetmethoden om de k-waarde in-situ te bepalen per type infiltratievoorziening.

4.5. Grondwater

Hydrologisch neutraal ontwikkelen betekent niet alleen dat versnelde afvoer naar oppervlaktewater dient te worden voorkomen, maar ook dat de grondwaterstand ter plaatse of lokaal zo goed mogelijk wordt gehandhaafd. De voorziening die nodig is bij de toename van verhard oppervlak zal in de meeste gevallen bestaan uit een gecombineerde retentie-infiltratievoorziening waardoor in die gevallen de aanvulling van het grondwater gewaarborgd is. In de overige gevallen gaat het in totaliteit om een zeer beperkte toename van verhard gebied die relatief weinig invloed heeft op de grondwaterstand omdat de hoeveelheid onverhard gebied verreweg het grootst blijft. Daarom is verandering in de grondwaterstand door de toename verhard oppervlak te verwaarlozen.

De onderkant van de doorlaat van de voorziening dient boven de GHG te worden geplaatst, omdat anders grondwater wordt afgevoerd. Ook moet de compensatie boven de GHG liggen. De GHG kan 15 indicatief worden afgelezen uit algemeen beschikbare bronnen, zoals de wateratlas van de provincie Noord-Brabant (http://atlas.brabant.nl/wateratlas/) en kan lokaal worden bepaald door in-situ hydrologisch onderzoek. De GHG, de gemiddeld hoogste grondwaterstand, wordt standaard bepaald uit het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden per jaar over een periode van acht jaar. Omdat het een gemiddelde betreft van de optredende maxima betekent dat het incidenteel voor kan komen dat de grondwaterstand hoger ligt dan de bodem van de voorziening. Er zijn diverse methoden om een hoogste grondwaterstand te schatten in het veld of op basis van kortere meetreeksen.

4.6. Richtlijnen voor het waterhuishoudkundig plan

In deze paragraaf wordt beschreven welke onderwerpen in het waterhuishoudkundig plan ten behoeve van de Beleidsregel afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak moeten worden uitgewerkt of moeten worden toegelicht. In het kader van de watertoets kunnen dezelfde of aanvullende onderwerpen worden vereist.

  • De uitgangssituatie van maaiveldhoogteligging, ontwatering en afwatering, grond- en oppervlaktewaterstanden dient te worden beschreven en op ten minste schaal 1:5.000 op tekening te worden weergegeven en beschreven.
  • Beschrijving van de bekende GHG en indien deze niet bekend is hoe een vergelijkbare hoogste grondwaterstand kan worden vastgesteld en toegepast. Het waterschap kan hierin adviseren.
  • De bepaling van de toename van verhard oppervlak of het af te koppelen oppervlak dient te worden beschreven en op tekening met een duidelijke topografische ondergrond op ten minste schaal 1:2.500 met de nauwkeurigheid van kadastrale perceelgrenzen te worden aangeduid.
  • De beoogde inrichting van het plangebied met maaiveldhoogte, grondverzet, ligging en afmetingen van voorzieningen, dient op ten minste schaal 1:5.000 op tekening en in relevante dwarsprofielen te worden weergegeven en in een toelichting te worden beschreven.
  • Door middel van berekeningen moet worden aangetoond welke veranderingen van waterstanden, afvoeren en grondwaterstanden als gevolg van het plan optreden in de omgeving van het plan. Hierbij moet worden gekeken naar gemiddeld hoogste grondwaterstanden, oppervlaktewaterstanden bij maatgevende (jaarlijkse) afvoer en inundatiekans extreme afvoersituaties (T10 tot en met T100). Het waterschap adviseert over de toe te passen methode. In overleg met het waterschap kan van de eis om met berekeningen aan te tonen worden afgeweken.
  • Aannemelijk maken dat de effecten geen nadelige gevolgen hebben in de omgeving van het plan.
  • Een beschrijving van het beheer en onderhoud van de in het plan opgenomen voorzieningen.
  • Indien andere watergerelateerde doelstellingen worden gerealiseerd wordt hiervan een kwalitatieve beschrijving opgenomen.

Het is wenselijk het waterhuishoudkundig onderzoek en het waterhuishoudkundig plan in overleg met het waterschap op te zetten en uit te voeren.

Bijlage 1: Rekenvoorbeelden voor het bepalen van de compensatieplicht

1) Als gevolg van een inbreidingsplan in het centrum van Tilburg wordt een toename van 1.500 m2 verhard oppervlak gerealiseerd.

Omdat de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 is, geldt vanuit de Algemene Regel geen verplichting tot de aanleg van een compensatie. Er is geen vergunning vereist. Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater of, in overleg met de gemeente, naar het rioolstelsel (indien aanwezig het hemelwaterriool) worden afgevoerd. De gemeente kan hiervoor voorwaarden stellen. Op vrijwillige basis is de aanleg van een voorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

2) Als gevolg van een agrarisch uitbreidingsplan in het buitengebied van Best wordt een toename van 1.975 m2 verhard oppervlak gerealiseerd.

Omdat de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 is, geldt vanuit de Algemene Regel geen verplichting tot de aanleg van een compensatie. Er is geen vergunning vereist. Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een dergelijke voorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

3) Als gevolg van een uitbreidingsplan in het centrum van Boxtel wordt een toename van 6.300 m2 verhard oppervlak aangelegd.

Omdat de uitbreiding groter dan 2.000 m2 is, maar kleiner dan 10.000 m2 geldt de rekenregel uit de Algemene Regel om de compensatie te berekenen. In formulevorm luidt deze regel: Benodigde compensatie (in m3 ) = Toename verhard oppervlak (in m2 ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Voor stedelijk gebied geldt altijd gevoeligheidsfactor 1,0. De benodigde compensatie voor deze locatie in het centrum van Boxtel bedraagt derhalve 378 m3 (6.300 m2 * 1,0 * 0,06 m). Er is geen vergunning vereist.

4) Als gevolg van een uitbreidingsplan in het agrarische gebied in Bakel wordt een toename van 9.600 m2 verhard oppervlak gerealiseerd.

Omdat de uitbreiding >2.000 m2 is, maar kleiner dan 10.000 m2 geldt de Algemene Regel om de rekencapaciteit te berekenen. In formulevorm luidt deze regel: Benodigde compensatie (in m3 ) = Toename verhard oppervlak (in m2 ) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Voor dit gebied zonder specifieke natuurwaarden, geen overstromingsrisico en een GHG dieper dan 80 cm-mv geldt een gevoeligheidsfactor van ¼. De benodigde compensatie in het agrarisch gebied bij Bakel bedraagt derhalve 144 m3 (9.600 m2 * ¼ * 0,06 m). Er is geen vergunning vereist.

5) Bij een omvangrijk uitbreidingsplan in ’s-Hertogenbosch wordt 23.000 m2 heringericht (deels verhard en deels onverhard).

Omdat de uitbreiding groter is dan 10.000 m2 , is sprake van ‘maatwerk’. Voor maatwerklocaties gelden de Beleidsregels afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak uit de Keur evenals de bijbehorende uitgangspunten. Bij de uitwerking kan dit document als achtergrondinformatie dienen. In dit geval is een waterhuishoudkundig plan nodig. De inhoud van het plan, de inpassing in het waterhuishoudkundige systeem en de toe te passen methoden dienen in overleg met het waterschap te worden vastgesteld.

Bijlage 2: Voorbeelden van principes van afvoerconstructies

Klik hier om bijlage 2 te openen

1 Het gemiddelde van de ondergrens van alle Nederlandse waterschappen is 1.622 m2 . Dit betekent dat de grens van 2.000 m2 ook in de range van alle Nederlandse waterschappen ligt. 
2 Ter vergelijking: deze hoeveelheid valt in de range van de retentie-eis van alle waterschappen (50 mm) en van de Brabantse waterschappen (55 mm). Deze genoemde waarden zijn gebaseerd op andere rekenmethoden. 
3 De gevoeligheidsfactoren worden alleen bij de Algemene Regel toegepast. Bij de toepassing van de Beleidsregel (vergunningen) wordt niet gewerkt met een gevoeligheidsfactor maar wordt maatwerk geleverd om de retentie-eis te bepalen.

Hoofdstuk 14: Beleidsregel Drainage

Artikel 14.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur van het waterschap gronden te ontwateren met drainagemiddelen.

2.

Drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij geen gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie). Vaak wordt dit aangeduid als conventionele drainage.

Peilgestuurde drainage: drainage waarbij de drains niet direct uitmonden in een watergang maar in een zogeheten verzameldrain. Deze verzameldrain mondt uit in een verzamelput. In deze verzamelput zit een verstelbare overloopbuis waarmee de ontwateringsdiepte van de drainage actief kan worden gestuurd. Zie onderstaand figuur.

  1. A. Drainagebuis.
  2. B. Verzameldrain: Zorgt voor de collectieve afwatering van de drainagebuizen naar de verzamelput.
  3. C. Verzamelput: Put waarin de waterafvoer geregeld kan worden.
  4. D. Overloopbuis: Buis waardoor het drainagewater geloosd kan worden op het oppervlakte water.
  5. E. Ontwateringsdiepte: Is de diepte ten opzichte van het maaiveld waarop maximaal ontwaterd wordt. Dit is de hoogte van de (vaste) overloopvoorziening.
  6. F. Afvoerbuis.
  7. G. Maaiveld.
  8. H. Aanlegdiepte drainage.

Beschermde gebieden waterhuishouding: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beschermde gebieden waterhuishouding zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening Water. Hieronder valt de ecologische hoofdstructuur (inclusief Natte Natuurparels en Natura 2000 gebieden), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).

Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Natuurbeschermingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de Provinciale Verordening Water.

Beperkt Beschermde Gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft gebieden waar een beperkte waterhuishoudkundige bescherming wordt nagestreefd. Bij de nadere uitwerking van de gebiedsaanduiding is nadrukkelijk rekening gehouden met de externe werking (art. 6 Richtlijn 92/43/EEG) ingevolge de Habitatrichtlijn voor met name de gebieden die gelegen zijn in Vlaanderen direct aan de Rijksgrenzen.

Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. De beekdalen betreffen kwelgebieden in de AHS die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheersgebied van het waterschap gerekend kunnen worden.

Wijstgebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de Keurkaarten. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgebieden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de het Provinciaal Waterplan, aangeduid als “projectgebieden Wijst”.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangendrainage in de beschermde gebieden keur, aangegeven op de bij de Keur behorende kaart.
De gemeenten vallen niet onder vergunningplicht bij het treffen van maatregelen op grond van artikel 3.5 en artikel 3.6 van de Waterwet (afvoer hemelwater en voorkomen grondwateroverlast).

 

Artikel 14.2: Doel van de beleidsregel

Voor de beschermde gebieden Keur wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het bij voorkeur verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still.

Het doel van het beleid is om verdroging door ingrepen in de waterhuishouding tegen te gaan. Deze beleidsregel draagt bij aan voldoende water voor zowel natuur als landbouw.

Artikel 14.3: Motivering van de beleidsregel

1.

De aanleg van nieuwe drainage vindt doorgaans plaats ter bevordering of behoud van landbouwkundig gebruik.
In alle Beschermde gebieden Keur geldt dat het individuele belang van een agrariër niet mag leiden tot schade voor omliggende agrariërs en andere grondgebruikers. Daarnaast mogen de doelen voor waterconservering en natuur niet negatief worden beïnvloed.

2.
-

Het beschermingsbeleid is in de Beschermde gebieden Waterhuishouding gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur, waaronder de Natura 2000 gebieden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.

In de Beschermde gebieden Waterhuishouding wordt drainage alleen toegestaan indien deze in combinatie met andere maatregelen cumulatief tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt (“nee tenzij”). Dit noemen we een hydrologische plus. Het gaat daarbij dus om het totaal aan maatregelen die de aanvrager neemt, inclusief maatregelen die het waterschap neemt. Om de versterking van de EHS en/of Natura 2000, maar ook de agrarische gebieden te verkrijgen stellen de waterschappen GGOR’s op. De GGOR geeft inzicht in wanneer er sprake kan zijn van een hydrologische plus en dus wanneer peilgestuurde drainage in de beschermde gebieden waterhuishouding toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de hydrologische plus wordt bereikt.

Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Reeds eerder uitgevoerde vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.
Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld aanleg van extra c-wateren.
De compenserende maatregelen gelden alleen op perceelniveau. Realisatie van de hydrologische plus binnen de beschermde gebieden waterhuishouding geldt als randvoorwaarde.

-

De cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden mogen niet leiden tot een significant negatief effect op het te beschermen doel. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel. Ook hier geeft de GGOR inzicht in wanneer peilgestuurde drainage toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de minimale stand-still wordt bereikt.

Het cumulatieve effect wil zeggen dat een drainage afzonderlijk geen effect hoeft te hebben op de rand van de natte natuurparel, maar alle nieuwe drainages die worden aangelegd sinds het in werking treden van deze beleidsregel, als totaal wel effect hebben. De toetsing op cumulatief effect vindt plaats op volgorde van aanvraag. Ter verduidelijking: bij de aanvraag van de eerste drainage wordt de invloed op de rand van de natte natuurparel getoetst. Bij de tweede aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste drainage. Bij de derde aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste en de tweede drainage. Et cetera.

Bij toets op het effect wordt gekeken naar een minimaal stand-still op de rand van de natte natuurparel. Stand-still is in dit geval, dat geen enkele grondwaterdaling op de rand van de natte natuurparel wordt toegestaan (0 cm grondwaterverlaging).Voor de attentiegebieden geldt dat nieuwe drainage niet kan worden toegestaan, tenzij aangetoond wordt dat de activiteit geen negatief hydrologisch effect op de natte natuurparel heeft. In dat geval kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden.

Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.

Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld ophogen van het perceel.

-

De beperkt beschermde gebieden vormen de buffer tussen de Habitatrichtlijngebieden in Vlaanderen en hun omgeving in Nederland. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen Habitatrichtlijngebieden en omgeving opgevangen te worden. De beperkt beschermde gebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de gebieden in Vlaanderen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still overeenkomstig de werkwijze in attentiegebieden.

-

De natuur in de beekdalen zijn afhankelijk van een goede grondwaterstand. Het beschermingsbeleid in deze gebieden is, net als bij de beschermde gebieden waterhuishouding, gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kernmerken en waarden van de ecologie en natuurwaarden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.
Derhalve geldt hetzelfde beschermingsbeleid als binnen de beschermde gebieden waterhuishouding.

-

In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.

3.

Peilgestuurde drainage heeft voordelen ten opzichte van conventionele drainage. Peilgestuurde drainage is regelbaar waardoor de mogelijkheid bestaat om water langer vast te houden (conserveren). Dit kan leiden tot een kleinere beregeningsbehoefte in droge periodes en reduceert daarmee de kans op droogteschade. Door peilgestuurde drainage aan te leggen met een kleinere afstand tussen de drains wordt bij een hoger drainageniveau de bewerkbaarheid van het land niet negatief beïnvloed.
Vanwege de voordelen ten opzichte van conventionele drainage schrijft het beleid zowel bij nieuwe als bij vervanging van bestaande drainage altijd peilgestuurde drainage voor.

Peilgestuurde drainage heeft als eigenschap dat er minder drainagewater uitstroomt. Daarnaast is de ontwaterende werking beter beheersbaar dan bij conventionele drainage. Door onderzoeksinstituut Alterra is in 2008 een modelstudie uitgevoerd die dit bevestigd (‘Modelonderzoek naar effecten van conventionele en samengestelde, peilgestuurde drainage op de hydrologie en nutriëntenbelasting’; P.J.T. van Bakel, E.M.P.M. van Boekel, G.-J. Noij, Alterrra-rapport 1647, Alterra, Wageningen 2008).

Een positief effect van peilgestuurde drainage dat zowel op perceelschaal als op gebiedsschaal optreedt is, dat de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) wordt verhoogd ten opzichte van conventionele drainage. De GLG is een belangrijke factor in het herstellen van kwelstromen.

Tevens maakt de gebruikelijke drainagediepte het ook moeilijk om in het kader van GGOR en verdrogingsbestrijding peilverhogende maatregelen te nemen, omdat de uitmondingen eveneens laag liggen en een vrije afvoer van de drains landbouwtechnisch gewenst is. Door het invoeren van peilgestuurde drainage ter vervanging van bestaande drainage (i.p.v. een vervangend conventioneel systeem) wordt op langere termijn naar een meer gewenst drainageregiem toe gewerkt. Hierdoor worden peilverhogingen in het kader van GGOR op langere termijn mogelijk gemaakt in het gebied. Daarnaast neemt op de korte termijn de afvoer van water uit het betreffende perceel af. Dit komt dus ten goede aan de doelstelling van verdrogingsbestrijding omdat daarmee op termijn de grondwaterstand verhoogd kan worden.

Naast deze kwantitatieve aspecten speelt ook waterkwaliteit een rol. Uit het genoemde Alterra-onderzoek blijkt ook dat peilgestuurde drainage van invloed is op de uitspoeling van nitraat en fosfaat. Voor fosfaat geldt dat er weliswaar een iets hogere uitspoeling is bij peilgestuurde drainage ten opzichte van conventionele drainage, maar de uitspoeling vanaf een ongedraineerd perceel is veel hoger. Voor stikstof geldt juist dat de stikstofbelasting bij conventionele drainage fors hoger is dan bij een ongedraineerd perceel maar dat de stikstofbelasting bij peilgestuurde drainage zelfs lager is dan in een ongedraineerd perceel. Geconcludeerd kan worden dat peilgestuurde drainage per saldo positieve effecten op de waterkwaliteit in het oppervlaktewaterlichaam heeft.

Bij peilgestuurde drainage geldt dat de uitmonding tot op zekere hoogte bepaald kan worden door de agrariër zelf. Om te waarborgen dat de gewenste positieve effecten ook daadwerkelijk optreden en te waarborgen dat de werkwijze handhaafbaar is, is het noodzakelijk duidelijke randvoorwaarden te stellen aan de aanleg en beheer van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt dat het best handhaafbare beleid het stellen van een maximumdiepte van de uitmondingconstructie is.

Binnen een perceel kunnen hoogteverschillen voorkomen. Om een goede werking van een peilgestuurd drainagesysteem en het stand still op de rand van de natte natuurparel te waarborgen is een compartimentering van het drainagesysteem nodig. Daar waar binnen het perceel het verschil in maaiveldhoogte ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau meer bedraagt dan 20 cm dient een nieuw compartiment aangelegd te worden. Dit herhaalt zich wanneer het hoogteverschil van het maaiveld van het compartiment verder oploopt dan 20 cm (zie het figuur bij deze beleidsregel). Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.

Artikel 14.4: Toetsingscriteria

1.
  1. De ontwateringsdiepte is gebiedspecifiek, maar maximaal 0,70 m-mv gemeten vanuit de hoogte van de overloopbuis ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte per drainagevlak. Gebiedspecifiek heeft betrekking op ligging, grondslag en hydrologische omstandigheden.
  2. Daar waar drainage is toegestaan binnen de beschermde gebieden keur moet gebruik worden gemaakt van peilgestuurde drainage. Uitzondering hierop is drainage op percelen met een grondtextuur die zwaarder is dan zware zavel zoals aangegeven op de bodemkaart Nederland. Dan kan traditionele drainage worden toegestaan.
  3. Bij elke toename in maaiveldhoogte van 20 cm ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau dient een nieuw compartiment in het peilgestuurde drainagesysteem aangelegd te worden. Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.
2.
  1. Nieuwe drainage binnen de beschermde gebieden waterhuishouding wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is, als een combinatie van maatregelen in of nabij het betreffende beschermde gebied waterhuishouding cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in natte natuurparels (hydrologische plus).
    Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van daadwerkelijke natschade door een vernattingsmaatregel binnen de EHS. Er wordt alleen vergunning verleend voor zover de drainage de natschade compenseert.
  2. Bij vervanging van bestaande drainage binnen beschermde gebieden waterhuishouding wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie. Daarbij geldt dat de diepte waarop de uitmondingconstructie kan worden ingesteld gelijk dient te zijn aan de bestaande diepte, met een maximum diepte van 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.
3.
  1. Nieuwe drainage binnen attentiegebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is als de cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden niet leiden tot een significant negatief effect op de Beschermde gebieden Waterhuishouding. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel.
  2. Bij vervanging van bestaande drainage binnen attentiegebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de stand-still wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
4.

Aanleg en het vervangen van drainagesystemen kan worden toegestaan, mits deze wordt aangelegd volgens het principe van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt als maximale ontwateringsdiepte 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.

5.
  1. Drainage binnen de beekdalen wordt niet toegestaan, tenzij de combinatie van maatregels cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in de beekdalen (hydrologische plus). Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van natschade door een vernattingsmaatregel binnen de EHS. Als deze effecten neutraal of negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden.
  2. Bij vervanging van drainage binnen beekdalen wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
6.
  1. Drainage die tot een structurele daling van de grondwaterstand leidt, kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
  2. Drainage die tot een structureel grotere afstand leidt tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
  3. Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.

 

Artikel 14.5: Beleidsregel profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen

Artikel 14.6: Kader

1.

Op grond van artikel 3.1, derde lid van de Keur is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen: de ruimte zoals vastgelegd in de legger ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen, zoals ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.
Daar waar het profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen nog niet is vermeld in de legger, geldt het profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen zoals deze is vastgelegd op de Keurkaart Profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen.
Het op de Keurkaart profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen aangegeven profiel van vrije ruimte betreft een zone van 25 meter gemeten vanaf de insteek aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam.

Niet onomkeerbare werken: werken die op eenvoudige wijze te verwijderen of te verplaatsen zijn.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen werken die een onomkeerbaar karakter hebben in het profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen, aangegeven in de legger oppervlaktewateren.

Artikel 14.7: Doel van de beleidsregel

De waterschappen hebben de mogelijkheid om in de legger een ‘profiel van vrije ruimte’ bij oppervlaktewateren op te nemen, als reservering voor toekomstige verbetering of uitbreiding van het waterstaatswerk. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang, zoals de aanleg van ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.
Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren verbeteringen belemmeren of onmogelijk maken. Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone.

Artikel 14.8: Motivering van de beleidsregel

1.

Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren (her)inrichtingswerkzaamheden ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Ook moet worden voorkomen dat (bouw)werken tegen hoge kosten in een later stadium alsnog moeten worden verplaatst of compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd.
Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.

Onomkeerbaarheid is gekoppeld aan de mogelijkheid om de werken op eenvoudige wijze te verwijderen of te verplaatsen. Als een werk niet eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt de uit te voeren ontwikkeling ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

In ieder geval worden de volgende werken als onomkeerbaar aangemerkt:

  • nutsleidingen;
  • bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten;
  • infrastructurele werken.

Dergelijke werken vallen dan ook onder de vergunningplicht.

Op het moment dat ontwikkelingen worden uitgevoerd, zal de eigenaar van de omkeerbare werken verplicht worden om die werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.

2.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

 

Artikel 14.9: Toetsingscriteria

1.
  1. In het profiel van vrije ruimte worden in beginsel geen onomkeerbare werken toegestaan.
  2. Daar waar aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte niet benut wordt voor de uit te voeren verbeteringen, kan vergunning voor onomkeerbare werken worden verleend.
  3. In afwijking van criterium 1 en 2, wordt alleen vergunning verleend indien de noodzakelijke onomkeerbare werken niet of anders op zeer moeilijke wijze zijn te realiseren, en een zwaarwegend maatschappelijk belang dienen.  Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende of mitigerende maatregelen genomen.
2.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

Hoofdstuk 15: Algemene Toetsingscriteria Waterkeringen

Artikel 15.1: Algemeen

Waterkeringen zijn ontworpen om bescherming te bieden tegen overstroming van het achterland.
Het waterschap is belast met de zorg voor overstroming vanuit het primaire systeem, zoals aangegeven in de Waterwet. Hiervoor heeft het waterschap primaire keringen in beheer die door het Rijk zijn aangewezen. Het waterschap draagt ook zorg voor veiligheid tegen overstroming vanuit het regionale watersysteem zoals aangegeven in de Verordening water van de provincie Noord-Brabant. Hiervoor heeft het waterschap regionale waterkeringen in beheer, welke op grond van de Verordening water zijn aangewezen.
De regionale waterkeringen zijn onderverdeeld in 2 soorten:
- Keringen langs regionale rivieren.
- Compartimenteringskeringen
Om lokaal wateroverlast te voorkomen beheert het waterschap overige waterkeringen welke door het waterschap zelf aangewezen worden.

Het waterschap hanteert als ideaalbeeld een waterkering in de vorm van een grondlichaam bekleed met een erosiebestendige grasmat vrij van niet-waterkerende objecten als bijvoorbeeld bouwwerken en bomen en struiken. Vanuit haar maatschappelijke betrokkenheid is het waterschap zich er bewust van dat het ideaalbeeld als zodanig niet over de volle lengte van de waterkering realiseerbaar of zelfs wenselijk is. Uit het oogpunt van veiligheid en efficiënt beheer van de waterkering is dit ideaalbeeld wel onderdeel van het referentiekader waaraan (nieuw gewenste) niet-waterkerende objecten en activiteiten getoetst worden.

Uitgangspunt bij het vaststellen van de beleidsregels voor waterkeringen is dat de waterkeringen veilig zijn en blijven. Hierbij geldt dat een waterkering veilig is als deze aan de wettelijk vastgestelde normen en de daarvan afgeleide eisen voldoet.

1.

Voor de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval vergunning kan worden verleend geldt –in zijn algemeenheid– dat gekeken wordt in hoeverre de activiteit verenigbaar is met het belang van een goede waterhuishouding, daaronder mede begrepen doelmatig beheer en onderhoud. Voor een goede uitoefening van zijn publieke taken heeft het waterschap gronden in eigendom verworven. Op die manier kunnen beheer en onderhoud, beekherstel en herprofilering optimaal worden uitgevoerd. Daarmee is dit eigendomsrecht een mede door de Keur te beschermen belang. In de gevallen waarin de werken op waterschapseigendom zullen worden aangebracht, geldt dan ook dat een vergunningaanvraag daartoe per definitie wordt afgewezen, tenzij daarvoor privaatrechtelijke toestemming is verkregen. Te denken valt hierbij aan het afsluiten van een gebruiksovereenkomst, het vestigen van een zakelijk recht, dan wel verkoop van de grond.

Artikel 15.2: Constructie en waterstaatkundige functie van waterkeringen

Het waterschap heeft in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in sterke waterkeringen, maar ook in mooie waterkeringen. Bij elke dijkversterking is veel aandacht uitgegaan naar landschap-, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden). Daarom is het belangrijk om deze waarden voortdurend te beschermen. Het waterschap zal in overleg met andere overheden trachten de LNC-waarden zoveel mogelijk te beschermen.

Artikel 15.3: Afmetingen

In de leggers zijn de noodzakelijke afmetingen van de waterkering vastgelegd. Voor initiatieven wordt alleen een watervergunning verleend wanneer deze buiten het leggerprofiel en/of het profiel van vrije ruimte plaatsvinden.

Artikel 15.4: Zonering

Binnen het keurgebied van de waterkeringen worden verschillende zoneringen onderscheiden:

  • Het waterstaatswerk zelf en de beschermingszones. Het waterstaatswerk is gelegen tussen de buitenteen en binnenteen van de waterkering. Hierbij is de teen van de waterkering gedefinieerd als de snijlijn van het talud met het horizontale maaiveld, tenzij uit de legger een andere lijn voortvloeit.
  • De beschermingszone A is bij primaire keringen 30 meter breed gerekend vanaf de begrenzing van het waterstaatswerk, tenzij uit de legger een andere afstand voortvloeit.
  • De beschermingszone B is bij primaire waterkeringen 20 meter breed, gerekend vanaf de begrenzing van de beschermingszone A, tenzij uit de legger een andere afstand voortvloeit.
  • De beschermingszone A is bij regionale keringen langs regionale rivieren 10 meter breed gerekend vanaf de begrenzing van het waterstaatswerk, tenzij uit de legger een andere afstand voortvloeit.

In onderstaand figuur zijn deze zones schematisch weergegeven. De zonering is vastgelegd in de legger van het waterschap.

Artikel 15.5: Algemene toetsingscriteria voor waterkeringen

1.

Door verschillende ontwikkelingen, zoals klimaatverandering, bodemdaling en de periodieke toetsing van de waterkeringen, zijn toekomstige dijkversterkingen niet uitgesloten. Het is niet wenselijk, voor burgers én voor het waterschap, om in de toekomst bijvoorbeeld bebouwing, leidingen en andere werken te moeten verwijderen om een dijkversterking mogelijk te maken. Het is daarom van belang werken zo te situeren dat een dijkversterking zonder sloop en/of andere aanpassingen aan kapitaalintensieve investeringen toch goed mogelijk blijft. Dit wordt bereikt door deze ontwikkelingen op duurzaamheid te toetsen aan de hand van het profiel van vrije ruimte (p.v.v.r). In artikel 5.3, lid 5 en 6 van de Keur is nader uitgelegd hoe dit p.v.v.r. wordt bepaald als deze niet in de legger is opgenomen.

Het profiel van vrije ruimte is van toepassing op primaire keringen en regionale keringen langs regionale rivieren.

2.

Het waterschap is onder andere verantwoordelijk voor het beheer van de waterkeringen. Onder beheer wordt verstaan het geheel van activiteiten dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de waterkerende functie in stand blijft, kortom alles wat nodig is om de waterkering in orde te houden. Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het noodzakelijk te inspecteren en te monitoren.

3.

Een vergunning wordt geweigerd als het werk zich op waterschapseigendom bevindt en er geen privaatrechtelijke toestemming is of wordt verkregen.

4.

Het waterschap wil het onderhoud op een doelmatige manier uitvoeren. Zonder onderhoud neemt de kwaliteit van de waterkering af en daarmee de vereiste veiligheid.

5.

Naast de functie waterkering kunnen andere functies toegekend zijn, zoals bv bebouwing, wegen, recreatief- of ander medegebruik. De waterkerende functie is van primair belang, alle andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie.

Tussen voorzieningen voor de waterkerende functie en voorzieningen voor andere functies moet zoveel mogelijk een duidelijke scheiding aanwezig zijn, zodat medegebruik niet ten koste gaat van de hoofdfunctie, het veilig keren van water.

6.

Ter bescherming van de waterkering is een gesloten seizoen bepaald waarin handelingen in en nabij waterkeringen niet of beperkt wordt toegestaan. Het gesloten seizoen geldt van 1 oktober tot 1 april. Buiten deze periode geldt er ook een sluiting tijdens hoogwater. Het gesloten seizoen geldt voor de primaire en voor de regionale waterkeringen en is van toepassing op het waterstaatswerk en bijbehorende beschermings-zones A.

 

 

7.

Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.

Hoofdstuk 16: Beleidsregel Kabels en leidingen waterkeringen

Artikel 16.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:

Kabels: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.

Leidingen: Mediumvoerende buisconstructies, die geen lozingswerk zijn, en die niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

Mantelbuizen (drukloze leidingen): Leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen.

Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 125 mm en/of een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn

onder andere vrij verval rioleringen, drainage en kleine industriële leidingen.

Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.

Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen:

  • kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de waterkering en / of de beschermingszone worden aangebracht;
  • kabels en leidingen die een waterkering kruisen.
3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.

Artikel 16.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in het waterstaatswerk en beschermingszones van een waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.

Artikel 16.3: Motivering van de beleidsregel

De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen in de waterkering. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van deze watervergunningsaanvragen.

1.

Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.

Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A moeten liggen, daarbuiten aan te leggen.

Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.

2.

Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering.

Artikel 16.4: Toetsingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.

1.
  1. Bij het ontwerp, de aanleg van en het hebben van kabels en leidingen en het beheer dient voldaan te worden aan de richtlijnen volgens de geldende NEN normen.
  2. Kabels en leidingen moeten zoveel mogelijk buiten het waterstaatswerk en beschermingszone A worden gelegd.
  3. Als de gelegenheid zich voordoet, moeten bestaande kabels en leidingen verlegd worden naar een tracé buiten het waterstaatswerk en beschermingszone A.
  4. Bestaande tracés binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer:
    1. de kabel boven het leggerprofiel ligt;
    2. de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft, en
    3. wijziging van het bestaande tracé niet in verhouding staat tot het effect wat die wijziging heeft op de veiligheid van de waterkering.
  5. De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.
  6. De "rakettechniek" is in het waterstaatswerk en beschermingszones niet toegestaan.
  7. Bij alle sleufloze technieken moet een sterkte- en muddrukberekening worden uitgevoerd. Deze berekening moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters en dient door het waterschap goedgekeurd te worden.
  8. Bij grote (druk)leidingen in het waterstaatswerk en beschermingszone A moet ook bij een open ontgraving een sterkteberekening uitgevoerd worden.
  9. De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan:
    1. onder een afrit of zijweg;
    2. als er sprake is van bundeling van kabels bij horizontaal gestuurde boring.
    3. als de mantelbuis buiten het leggerprofiel wordt aangebracht
  10. Bij leidingen waarbij als gevolg van falen een erosiekrater kan ontstaan, moet de berekende erosiekrater volledig buiten het leggerprofiel aangelegd worden.
  11. Kabels en leidingen moeten de waterkering zoveel mogelijk haaks kruisen. De leidingkruising moet zoveel mogelijk door middel van een open ontgraving aangelegd worden.
  12. Een horizontaal gestuurde boring is alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen blijkt, dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft. Toepassing van de gesloten front techniek is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering.
  13. Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels.
    Een leidingkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat:
    1. de leiding als één stuk binnen het waterstaatswerk en beschermingszones A en B aangelegd wordt, en
    2. bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 10 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
    3. bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
  14. bij een overige waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden. Er wordt geen watervergunning verleend om binnen de waterkering aan een dijkkruisende kabel of leiding een aftakking en/of aansluiting te maken.
  15. Een leidingkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen zowel aan de binnendijkse en de buitendijkse zijde geplaatst te worden en moeten altijd bereikbaar en bedienbaar zijn.
2.

Voor het aanbrengen en hebben van drainage in het waterstaatswerk en beschermingszone A wordt alleen een watervergunning verleend wanneer de aanvrager aantoont dat er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.

Hoofdstuk 17: Beleidsregel Bouwwerken waterkeringen

Artikel 17.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Onder werken worden ook bouwwerken en gebouwen verstaan. In de meeste gevallen gaat het om gebouwen waarin gewoond of gewerkt wordt, met de inrichtingselementen die daarbij horen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  1. permanente bouwwerken/constructies; dit zijn bouwwerken die kapitaalintensief zijn zoals woningen, kantoren, bedrijfsgebouwen e.d. die in de grond gefundeerd zijn;
  2. semi-permanente bouwwerken of constructies zoals tuinhuisjes; deze moeten eenvoudig verwijderd kunnen worden. Zij zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie. Het bouwwerk / constructie moet op eenvoudige wijze opgebouwd zijn uit geprefabriceerde en weer op eenvoudige wijze te demonteren elementen.
3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen en beschermingszones A binnen het beheergebied van het waterschap.

Artikel 17.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Voor het plaatsen en hebben van bouwwerken in de waterkering en beschermingszone A van waterkeringen is het van belang dat de waterkerende functie en de stabiliteit van de waterkering is gewaarborgd, dat het doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering niet wordt bemoeilijkt en dat de keringen in de toekomst versterkt kunnen worden.

Artikel 17.3: Motivering van de beleidsregel

Het waterschap wil in principe geen nieuwe permanente bouwwerken  of herbouw van bestaande bouwwerken toestaan binnen de waterkering. Het uitgangspunt is ‘onbebouwd blijft onbebouwd’. Dit om de huidige waterkerende functie te beschermen, maar ook om mogelijk toekomstige versterking mogelijk te maken.

Nieuwbouw in beschermingszone A kan alleen als bij de bouwhoogte rekening gehouden wordt met de ruimte die nodig is voor toekomstige versterking.
Tuinmuren en tuinhekjes in de waterkering en beschermingszone A van waterkeringen kunnen worden toegestaan als ze horen bij bestaande bebouwing. Dit omdat ze beschouwd worden als inrichtingselement van de woning. Voorwaarde is wel, dat ze bij toekomstige versterking door of op kosten van de watervergunninghouder weggehaald worden. Ook mogen ze het bestaande leggerprofiel niet doorsnijden.

1.

Eén van de onderdelen van de waterkering is het buitentalud. Het is van groot belang dat het buitentalud bestand is tegen alle vormen van erosie om de waterkerende functie van de waterkering te garanderen. Daarom zal geen watervergunning verleend worden om op het buitentalud bouwwerken aan te brengen. In specifieke situaties kan een uitzondering worden gemaakt. Hiervoor zijn speciale toetsingscriteria.

2.

Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige versterking. Binnen het profiel van vrije ruimte mag niet gebouwd worden.
Compartimenteringskeringen en overige keringen kennen geen profiel van vrije ruimte. Hiervoor geldt dat gebouwd wordt buiten het waterstaatswerk om het bestaand waterkerend vermogen te kunnen handhaven.

In het geval van verbouw van bestaande bebouwing zal het waterschap in het algemeen vergunning verlenen. Uiteraard worden daarbij wel voorwaarden gesteld om de waterkering te beschermen. Ook moet het mogelijk blijven om in de toekomst de waterkering te versterken.

3.

Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het nodig deze periodiek te inspecteren. Bij vergunningsaanvragen zal altijd de toets plaatsvinden of de realisatie van een bouwwerk belemmerend werkt voor inspectie en toezicht.
Het waterschap wil het onderhoud op een doeltreffende en doelmatige manier kunnen blijven uitvoeren. Objecten en/of veranderde inrichtingen van waterkeringen en onderhoudsstroken kunnen de bereikbaarheid voor het onderhoudsmaterieel belemmeren.

Artikel 17.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
  2. Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen de stabiliteit van de waterkering nadelig beïnvloeden. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en beschermingszone A wordt daarom geen watervergunning verleend.
  3. Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.
2.
  1. Binnen het waterstaatswerk is nieuwbouw van bouwwerken niet toegestaan.
  2. Permanente bouwwerken, speciale constructies en andere kapitaalintensieve werken, inclusief funderingen mogen het profiel van vrije ruimte en de waterkering niet doorsnijden. Bovenop het profiel van vrije ruimte zijn zij wel toegestaan. Paalfundaties van bouwwerken mogen buiten het waterstaatwerk het profiel van vrije ruimte wel doorsnijden. Voor paalfundaties moet een grondverdringend paalsysteem zonder verbrede voet worden toegepast.
  3. Binnen de waterkering en beschermingszone A mogen geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.
  4. Als bouwwerken binnen beschermingszone A en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het bestaande maaiveld plaatsvinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. Wel kan de aanleg van fundatie-/randbalken en vorstranden die horen bij plaatvloeren toegestaan worden als deze niet dieper dan de gebruikelijke vorstvrije grens worden aangelegd en het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden.
  5. Het aanbrengen van werken beneden het maaiveld is mogelijk als aangetoond wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de  stabiliteit en piping ontstaat in de huidige situatie, en op het profiel van vrije ruimte.
  6. De daadwerkelijke aanleg van het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen werk ontstaat. Ook moet voor toekomstige versterking voldoende werkruimte aanwezig blijven. De aanvrager moet door middel van berekeningen aantonen dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het toekomstige profiel van vrije ruimte.
    Nutsvoorzieningen voor binnendijkse nieuwbouw bij de primaire waterkering dienen vanaf het achterland te worden aangelegd en te worden binnen gevoerd.
3.
  1. Voor de vervanging van een bestaand bouwwerk door een (nagenoeg) geheel nieuwe constructie wordt geen watervergunning verleend tenzij wordt voldaan aan de beleidsregels voor nieuwbouw.
  2. Als minder dan de fundering en 2 buitenmuren van een bouwwerk blijven staan, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.
  3. Als met de herbouw de fundering aangepast wordt, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.

 

 

4.
  1. Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 10% van het bebouwd grondoppervlak.
  2. In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel (waterstaatswerk inclusief beschermingszones) van de waterkering worden gerealiseerd.
  3. Een uitbreiding binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen mag niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering worden uitgebouwd tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen. Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 10% van het bebouwd grondoppervlak binnen het profiel van vrije ruimte wordt beschouwd als nieuwbouw.
5.

Semi-permanente bouwwerken zoals schuurtjes, tuinhuisje etc. binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A zijn toegestaan als het bouwwerk niet op het bestaande talud of op de kruin wordt geplaatst. Het bouwwerk moet boven het bestaande maaiveld staan en mag niet in de grond worden gefundeerd.

6.
  1. Op het buitentalud en in de buitendijkse beschermingszone A staat het waterschap alleen herbouw en verbouw van bestaande panden toe.
  2. Voor buitendijkse herbouw of verbouw gelden dezelfde regels als voor binnendijkse herbouw of verbouw.

Hoofdstuk 18: Beleidsregel Wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen waterkeringen

Artikel 18.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.

Artikel 18.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van wegen, op- en afritten op de waterkering is het voornamelijk van belang dat de stabiliteit, dus ook de waterkerende functie van de waterkering, evenals het doelmatig onderhoud is gewaarborgd.

Artikel 18.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het grondlichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding. Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.

2.

Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. Dit is niet wenselijk.

Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een watervergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.

Artikel 18.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
  2. In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen en/of belendende percelen.
  3. De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.
  4. De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op de waterkering.
  5. Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.
2.
  1. Per perceel gelegen aan de waterkering is één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, hiervan gebruik gemaakt moet worden, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan.
  2. Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe persceelsontsluiting via de waterkering is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.
  3. Nieuwe ontsluitingen via de waterkering kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de waterkering moet dan binnen het plan tot een minimum worden beperkt.
  4. Op- en afritten en trappen moeten buiten leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.
  5. Wanneer de op- en afrit wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen.
3.
  1. Voor de aanleg van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.
  2. De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding.
  3. Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.
  4. Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen.
4.
  1. De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeers-belasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende grondlichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.
  2. Verkeersvoorzieningen, zoals verkeersborden, komportalen en openbare verlichting, worden gezien als een noodzakelijk deel van de openbare weg. Bij de toetsing of een watervergunning verleend kan worden, zal hiermee rekening gehouden worden. Voor voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn wordt geen watervergunning verleend, tenzij de verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist.

Hoofdstuk 19: Beleidsregel Grondmechanisch onderzoek waterkeringen

Artikel 19.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Hoogwaterperiode: periode waarin een sterk verhoogde waterstand voorkomt

Kwelscherm: Een ondoorlatende, in de regel verticale, constructie voor verlenging van de kwelweg.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap. Het is alleen van toepassing op het waterstaatswerk. Voor grondmechanisch onderzoek in beschermingszones geldt een algemene regel.

Artikel 19.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen en grond- en milieuonderzoek is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.

Artikel 19.3: Motivering van de beleidsregel

De af- en/of ontgravingen voor verticale boringen en onderzoeken kunnen invloed hebben op de waterkering. Vooral in kwel- en pipinggevoelige gebieden kan het zeer nadelig zijn wanneer het afdichtende kleipakket van een waterkering wordt geperforeerd. Hierdoor kan er kortsluiting ontstaan tussen de watervoerende lagen, waardoor het risico van piping toeneemt. Ook kunnen trillingen van seismische onderzoekmethodes onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.

Artikel 19.4: Toetsingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.

1.
  1. Er mogen geen sonderingen of grondboringen uitgevoerd worden in het waterstaatswerk.
  2. In verband met de stabiliteit van de waterkering moeten de boorgaten worden gedicht met ondoorlatend materiaal.
  3. Het uitvoeren van boringen en sonderingen tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij hoogwater) is niet toegestaan.
  4. (Peil)buizen die in de waterkering en profiel van vrije ruimte langer blijven staan dan 35 dagen, of blijven staan in het gesloten seizoen, moeten worden voorzien van een kwelscherm. Hiervoor worden voorschriften in de watervergunning opgenomen.
2.
  1. Proefsleuven voor bijvoorbeeld archeologisch onderzoek moeten zover mogelijk uit de waterkering worden gegraven.
  2. Voor seismische onderzoeken en exploratieboringen in het waterstaatswerk en bijbehorende beschermingszone A wordt geen watervergunning verleend. In de beschermingszone B wordt alleen een watervergunning verleend als de uitvoering van deze onderzoeken buiten de gesloten periode en buiten de hoogwaterperioden gebeuren en aangetoond wordt dat de werkzaamheden geen nadelige invloed zullen hebben op de stabiliteit en waterkerende functie van de waterkering.

Hoofdstuk 20: Beleidsregel verticale boringen ten behoeve van bodemenergiesystemen en grondwateronttrekking waterkeringen

Artikel 20.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

Er zijn 2 typen bodemenergiesystemen:

  1. open systeem; hierbij wordt grondwater opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats;
  2. gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof door lussen rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt in de bodem plaats.
3.

Deze beleidsregel geldt voor alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.

Artikel 20.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.
Het waterschap beoordeelt de gevolgen van de werkzaamheden. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning afgegeven.

Artikel 20.3: Motivering van de beleidsregel

Voor bodemenergiesystemen moet meestal een fors boorgat worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, moeten de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag per definitie de werking van de waterkering niet aantasten. Daarom zijn er toetsingscriteria en zullen er aan de vergunning voorschriften worden verbonden.

Artikel 20.4: Toetsingscriteria

1.
  1. Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.
  2. Boringen ten behoeve van bodemenergiesystemen in het waterstaatswerk zijn niet toegestaan.
  3. De horizontale onderdelen, zoals kabels en toevoerleidingen moeten voldoen aan de beleidsregels voor kabels en leidingen.
  4. De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van de boringen worden gegarandeerd.
  5. In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het bodemenergiesysteem.
2.
  1. De boringen moeten zo ver mogelijk uit het waterstaatswerk plaatsvinden.
  2. De boringen mogen binnen het profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) plaatsvinden.
  3. De afwerking van de boring, de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten of boven het p.v.v.r.
  4. Het bodemenergiesysteem moet altijd aan dezelfde zijde (binnen- of buitendijks) van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.
3.
  1. Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit Bodemkwaliteit (BRL SIKB protocol 2101 Mechanisch boren) , eveneens aan het bestuur te worden gestuurd.
  2. Behalve voor het boren van het bodemenergiesysteem mogen er geen verdere ontgravingen worden gedaan.
4.

De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht en moeten bij de aanvraag om een vergunning worden toegevoegd.

5.

Ondiepe pulsen voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de waterkering.

Hoofdstuk 21: Beleidsregel Bomen, struiken en laagblijvende beplanting waterkeringen

Artikel 21.1: Kader

1.

Op grond van artikel 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

2.

(hout)beplantingen: bomen, struiken en laagblijvende beplanting die worden geplant om de tuin in te richten of het landschap te verfraaien.

3.

Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.

Artikel 21.2: Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Het is van belang dat bij het planten van bomen, struiken en beplanting geen piping ontstaat, de erosiebestendigheid van het talud gegarandeerd is en de aanwezigheid van bomen niet leidt tot instabiliteit van de waterkering.

Artikel 21.3: Motivering van de beleidsregel

1.

Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn drie aspecten belangrijk:

1. Schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot de waterkering aangehouden.

2. Stabiliteit. Om de stabiliteit van een waterkering te garanderen, zijn bepaalde afmetingen nodig. Doorsnijding van de waterkering en aanliggende gronden met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de waterkering minder stabiel. Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de waterkering ernstig beschadigen.

3. Piping. Piping is een verschijnsel waarbij, door een erosieproces, onder een waterkering tunnels ontstaan. Kleilagen in en onder de waterkering voorkomen piping. Het wortelstelsel van bomen en struiken zou door deze kleilagen heen kunnen dringen, waardoor de kans op piping toeneemt. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.

 

Afhankelijk van het dijkmateriaal (klei of zand) en de omstandigheden waarin de boom wortelt (wisselende grondwaterstand, natte of juist droge omstandigheden) zijn sommige soorten bomen en struiken wel of juist niet geschikt.

2.

Het talud van de waterkering is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is inspectie door het waterschap niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking, ook niet in combinatie met een bodembedekker.

Artikel 21.4: Toetsingscriteria

Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.

1.

Dode, zieke, (gedeeltelijk) omgewaaide, zwaar beschadigde en gerooide bomen en/of struiken moeten worden verwijderd. De wortelresten moeten worden uitgefreesd. In de wortelgaten moet kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding worden aangebracht en zorgvuldig laagsgewijs worden verdicht. Vervolgens moeten de wortelgaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen.

2.
  1. Nieuwe bomen en struiken op het buitentalud van de primaire en regionale waterkering en tot een afstand van 10 meter uit de buitenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:
    • Bomen en struiken in tuinen van buitendijkse panden waar, door middel van constructieve maatregelen, ten behoeve van de reeds aanwezige werken de erosiebestendigheid van het buitentalud gegarandeerd is.
    • Er is sprake van een hoog liggend voorland, waardoor bomen en struiken buiten het leggerprofiel geplaatst kunnen worden.
  2. Nieuwe bomen en struiken op de waterkering en tot 4 meter uit de binnenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop zijn enkele uitzonderingen:
    • Indien er sprake is van aanzienlijke landschappelijke- ecologische en/of culturele waarden kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor nieuwe bomen en struiken.
    • Indien sprake is van een (zeer) brede kruin kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor bomen en struiken op de kruin. Te allen tijde moet een zone van 5 meter vanuit de buitenkruinlijn obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering;
  3. Nieuwe bomen en struiken, inclusief de ontgrondingskuil, moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering worden geplaatst en op termijn goed vervangbaar zijn. Voor bomen wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter. Voor struiken wordt eveneens uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik, van 1 meter.
3.

Herplanten, het vervangen van bestaande bomen en struiken, wordt beoordeeld als het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken.

4.
  1. Bomen op de waterkering dienen zodanig te worden gesnoeid, dat zich een takvrije stamlengte van
    4 meter hoog kan ontwikkelen. Dit vanwege bereikbaarheid en inspectie van de waterkering en om voldoende licht op de grasmat toe te laten. Het snoeihout en bladval moet worden verwijderd en afgevoerd. Knotten moeten minimaal eens in de drie jaar geschieden.
  2. De grasmat moet worden hersteld zodra er schade is ontstaan die te wijten is aan aanwezigheid van bomen en/of struiken (ontworteling, schaduwwerking, wortelopschot, afgewaaide takken etc.).
5.

Periodieke controle, inspectie en schouw volgens de methodiek Visual Tree Assesment (VTA) naar de conditie en stabiliteit van de bomen bij waterkeringen is noodzakelijk. Het is van belang dat bomen bij de waterkering niet kunnen omwaaien en tot instabiliteit van de waterkering kunnen leiden.

Hoofdstuk 22: Beleidsregel Grondwater

Artikel 22.1: Kader

Waterwet artikel 6.4 en de keur artikelen 4.10 en 4.14 tot en met 4.21.

Artikel 22.2: Algemeen beleid voor alle activiteiten

In deze beleidsregels is voor verschillende vormen van grondwatergebruik uitgewerkt hoe met vergunningverlening wordt omgegaan. Voor al deze uitwerkingen geldt echter dat deze uitgaan van steeds dezelfde basisbeginselen. Gezien de kaders en doelstellingen van de Waterwet heeft het grondwaterbeheer vier pijlers:
- Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.
- Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.
- Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.
-Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infilteren van water, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.

Adequaat voorraadbeheer
Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.

Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:

1. zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);

2. benutten gebiedseigen water;

3. wateraanvoer;

4. en dan pas grondwater.

In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurd.

Bescherming van de grondwaterkwaliteit
Drinkwaterbeschermingsbeleid is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Waterwet en Provinciale Milieuverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Hogere regelgeving regelt voor inrichtingen en activiteiten al uitvoerig wat wel en niet toegestaan is met het oog op de bescherming van de kwaliteit van grondwater bestemd voor menselijke consumptie. Het is dan ook niet nodig daarvoor aanvullende regels te stellen in bijvoorbeeld de keur, maar wel te voorkomen dat toepassing van regels de hogere regelgeving (de Provinciale Milieuverordening) doorkruisen. Dit betekent dat in vergunningen voor activiteiten in gebieden die beschermd worden voor de drinkwatervoorziening, aanvullende of afwijkende voorschriften kunnen worden opgenomen ten behoeve van de drinkwaterbescherming.

 

Het begrip menselijke consumptie komt overigens uit de Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Drinkwaterrichtlijn) en komt in de Nederlandse wetgeving ook terug in het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, artikel 1, onder g. Onder water voor menselijke consumptie wordt daar verstaan al het water, niet zijnde natuurlijk mineraalwater, bronwater of een geneesmiddel, dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde waren of stoffen.
Naast de drinkwaterbescherming speelt de kwaliteit van grondwater in het algemeen een rol van betekenis voor de vergunningverlening. Hoewel het waterschap geen directe bevoegdheid heeft op dit vlak krachtens de Waterwet, dient het waterschap hier wel rekening mee te houden bij de belangenafweging op grond van artikel 2.1 van de Waterwet. Specifiek voor infiltreren geldt bovendien op grond van artikel 6.26 Waterwet dat slechts vergunning verleend kan worden als er geen gevaar voor de grondwaterkwaliteit is, en dat er aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter verzekering van de controle op de kwaliteit van het grondwater.

Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen
Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden/gebieden met wateraanvoer de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.

Lokale nadelige effecten tegengaan
Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.

Beschermde gebieden en attentiegebieden
Nieuwe onttrekkingen, die niet zijn gericht op behoud of versterking van de natuurwaarden, zijn niet toegestaan. Voor de natte natuurparels is het strikte beleid ook van toepassing op een attentiegebied (zie keurkaarten ‘Beschermde Gebieden’). Verplaatsingen worden in dit verband als nieuwe onttrekkingen aangemerkt en zijn dus niet toegestaan.

Het strikte beschermingsbeleid heeft zowel betrekking op de individuele ingrepen als op het cumulatieve effect van de ingrepen. Daarom worden de effecten van de ingrepen niet individueel beoordeeld (bijvoorbeeld in de vorm van een standstill op de rand van de natte natuurparel), maar wordt de ingreep niet toegestaan.

Natuurbeleid en Kaderrichtlijn Water
Waar grondwateronttrekkingen moeten worden verminderd om de gestelde doelen in de natte natuurparels te bereiken, dan geldt dat in principe voor alle categorieën grondwateronttrekkingen in dat gebied. Mede op basis van de beschikbare alternatieven wordt vervolgens per onttrekking of per onttrekkingscategorie de omvang van de vermindering bepaald. Ook wordt de termijn bepaald waarbinnen deze vermindering moet plaatsvinden. Dit wordt samen met de provincie in een gebiedsplan vastgesteld. Bij vergunningverlening op grond van de Waterwet houden we rekening met natuurdoelstellingen van Natura 2000 en de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet. Ook wordt rekening gehouden met de zuiveringsinspanning voor grondwater voor menselijke consumptie in het kader van de Kaderrichtlijn Water.

Gebiedsspecifiek grondwaterbeleid
In grondwaterbeleid is een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. De gebiedsindeling daarvoor is opgenomen in de algemene regels. Die gebiedsindeling wordt in deze beleidsregel eveneens toegepast. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrijafwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.

Per gebied is in de algemene regels aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Met deze aanpak worden nog steeds dezelfde doelen nagestreefd als voorheen, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. In de algemene regels zijn tevens vaste waarden voor de te onttrekken diepte opgenomen voor die gevallen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor.

Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. Het waterschap sluit aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens artikel 25 Besluit Bodemkwaliteit.

Artikel 22.3: Vergunningenbeleid voor industriƫle onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar

Bij de vraag naar grondwateronttrekkingen door toenemende bedrijvigheid wordt van de bedrijven gevraagd zo veel mogelijk alternatieven in te zetten, zoals de inzet van oppervlaktewater of hergebruik van afvalwater.

In stedelijk gebied met wateroverlast kan een uitzondering gemaakt worden op het principe dat grondwater alleen wordt gebruikt voor menselijke consumptie. Hier kunnen onttrekkingen wel toestaan worden voor andere doeleinden dan menselijke consumptie. In elk geval wordt gestreefd naar een nuttig gebruik van het onttrokken grondwater. De benodigde drooglegging in de stad is goed verenigbaar met waterwinning. Verwacht mag worden dat de onttrekkingen om wateroverlast tegen te gaan, maar tijdelijk nodig zullen zijn, omdat bij de herinrichting van deze wijken een aangepaste ont- en afwatering deze problemen kan oplossen. Om een verspreiding van bodem- en grondwaterverontreinigingen te voorkomen is een toename van de onttrekkingen dieper dan het watervoerende pakket 2b ongewenst.

Door de vermindering van de onttrekkingen door waterleidingbedrijven en industrie ontstaat ruimte voor nieuwe onttrekkingen en uitbreiding van bestaande onttrekkingen binnen stedelijk gebied. Om een beheerste ontwikkeling te garanderen is door de provincie een grens aan de mogelijk optredende groei gesteld. Groeit de omvang van de onttrekkingen tot boven de grens, dan worden maatregelen genomen. Dit behelst onder meer het intrekken van reservecapaciteit binnen bestaande vergunningen en gezamenlijk met de andere waterschappen en provincie een uitwerkingsplan vaststellen. Hierin geven we de oorzaken van de opgetreden groei, de prognose voor de toekomstige waterbehoefte en de inzet van alternatieven aan.

De volgende uitgangspunten zijn bij verplaatsing van winningen van toepassing:
- De verantwoordelijkheid voor de verplaatsing ligt bij de bedrijven zelf;
- Een verzoek tot verplaatsing van winningen zal worden getoetst op:

    -het doel waarvoor het grondwater wordt gebruikt;

    -de mogelijkheden voor de inzet van alternatieven;

    -geen toename van het effect op het natuurlijk milieu.

De uitbreidingsmogelijkheden voor grondwateronttrekkingen door bedrijven kunnen als volgt worden samengevat:
- Voor bedrijven/onttrekkingen voor andere doeleinden dan menselijke consumptie geldt dat die zijn gelegen binnen de bebouwde kom;
- Uit de aanvraag moet blijken dat grondwater noodzakelijk is. Indien binnen drie jaar na vergunningverlening geen gebruik is gemaakt van de vergunning, of een belangrijk deel hiervan, dan zal de vergunning hierop worden aangepast of ingetrokken;
- Het grondwater wordt gebruikt, of mede gebruikt, voor menselijke consumptie;
-De putten mogen een maximale diepte hebben tot in watervoerend pakket 2b. Daar waar geen scheidende laag aanwezig is geldt een maximale diepte van 80 meter;
-De totale grondwateronttrekking in Noord-Brabant door waterleidingbedrijven en industriële onttrekkers mag maximaal 268 miljoen m3 bedragen (onttrekking 2007 + 10%). Indien de gestelde grenswaarde wordt bereikt zullen geen uitbreidingen meer worden toegestaan.

Artikel 22.4: Vergunningenbeleid voor agrarische beregening

Gebiedspecifiek beleid voor agrarische beregening

Het nieuwe beleid voor beregenen uit grondwater voorziet in meer flexibiliteit in agrarische gebieden, maar niet in de beschermde gebieden waterhuishouding en attentiegebieden (zie keurkaart) en ook niet in zones rondom de Natura 2000-gebieden, de invloedsgebieden Natura 2000 (zie de kaart bij de algemene regels grondwater). Daar blijft het bestaande standstillbeleid van kracht. Deze beleidsregel bevat dan ook twee sporen voor het vergunningenbeleid. Eén spoor conform het bestaande standstillbeleid voor de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000, en één spoor met flexibeler beleid voor de overige gebieden.

Vergunningenbeleid voor de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000

In beginsel verlenen we in deze gebieden geen nieuwe vergunningen voor beregening. Bedrijven zullen bij het opstellen van bedrijfsplannen uit moeten gaan van de bestaande situatie en het al dan niet beschikbaar zijn van een bestaande vergunning. We stimuleren vermindering van het gebruik van grondwater voor beregening via projecten en afspraken met de sector. Indien een besparing wordt bereikt binnen het bestaande gebruik, achten we een verruiming van de onttrekkingen voor (nieuwe) kapitaalintensieve teelten mogelijk.

Om het grondwatergebruik voor beregening te beheersen geldt dat:

  • Geen nieuwe vergunningen meer worden verleend voor beregening;
  • Bestaande grondwateronttrekkingen niet mogen worden verplaatst. Alleen bij de realisatie van overheidsplannen kan een grondgebruiker die het bestaand gebruik moet beëindigen, een put verplaatsen naar een nieuw perceel. De nieuwe put mag hierbij niet zijn gelegen in een beschermd gebied waterhuishouding of attentiegebied.
  • Grasland niet mag worden beregend voor 1 juni en in juni en juli niet tussen 11:00 en 17:00 uur. (Dit is opgenomen in de vergunning, hierbij is tevens voorzien in een ontheffingsregeling). In de periode 1 januari tot 1 juni mag grasland beregend worden in voornoemde periode binnen 48 uur na een emissiearme bemestingsmethode met dierlijke mest.
  • Voor intensieve grondgebonden teelten, waarbij vruchtwisseling belangrijk is, kan een raamvergunning worden verleend, waarin de totale pompcapaciteit per uur is aangegeven en de maximale diepte van de put. Bij wijzigingen moet de locatie van de te gebruiken put(ten) worden opgegeven. De nieuwe put mag niet zijn gelegen in beschermd gebied waterhuishouding of attentiegebied. In raamvergunningen wordt de voorwaarde opgenomen dat de vergunning nooit meer kan worden gebruikt voor de beregening van grasland.
  • Bestaande putten mogen worden verplaatst vanuit de beschermde gebieden waterhuishouding naar de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Bestaande putten mogen ook worden verplaatst binnen de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 indien de afstand tot de beschermde gebieden waterhuishouding daarmee wordt vergroot (afwaartse beweging). Verplaatsing van de put is ook mogelijk naar een locatie buiten de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Het doel is steeds het vergroten van de afstand van de onttrekking ten opzichte van natuurgebieden.
  • Bestaande putten mogen worden vervangen binnen 50 meter van de bestaande ingemeten locatie, waarbij de nieuwe put dezelfde diepte dient te hebben als de bestaande of ondieper dient te zijn, maar deze niet dieper mag zijn dan de maximale diepte conform de algemene regels grondwater. Deze voorwaarde is eveneens in de vergunningen opgenomen.
  • Bij overdracht van eigendommen en/of bodemgebruik kan een vergunning overgaan op een rechtsopvolger. Dit kan ook betrekking hebben op een deel van de vergunning, waarbij echter elk deel van de vergunning minimaal dient te bestaan uit een put en 11 m3 per uur pompcapaciteit. Waarbij de totale pompcapaciteit en het aantal putten in de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 niet toeneemt.

Vergunningenbeleid voor de overige gebieden

Toepassingsbereik

Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekkingen die niet voldoen aan de criteria uit de algemene regels grondwater artikel 4 en 5. Op dat moment is een vergunningplicht aan de orde.

Doel en motivering van de beleidsregel

Voor agrarische beregening wordt onderscheid gemaakt tussen graslandberegening, akkerbouw- en tuinbouwberegening en overige beregeningen voor glastuinbouw, boomteelt en dergelijke.

Voor agrarisch gebruik geldt dat de onttrekkingsinrichting veelal bestaat uit een pomp met meerdere putten. Er wordt niet uit alle putten tegelijkertijd onttrokken, maar meerdere putten zijn nodig vanwege de omvang van agrarische bedrijven en teeltwisselingen. Bij agrarische onttrekkingen zijn twee doelstellingen van belang. Enerzijds het onder controle houden van de hoeveelheden onttrokken grondwater, anderzijds de bescherming van de kwaliteit van het diepere grondwater door middel van het beschermen van de slechtdoorlatende lagen tegen onnodige doorboringen. Voor beregening van grasland, akkerbouw en vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt geldt dat dit primair via algemene regels gereguleerd wordt. Vergunningverlening is nog aan de orde bij een voorgenomen afwijking van de algemene regels, zoals een groter aantal putten of een groter pompcapaciteit dan in de algemene regels is toegestaan. Aangezien de algemene regels afgestemd zijn op de draagkracht van het grondwatersysteem, een normale bedrijfsvoering, en gezien de algemene uitgangspunten ten aanzien van grondwatergebruik, zal getoetst worden of het aangevraagde redelijk en noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en wat er aan waterbesparing en/of waterconservering gedaan kan worden ten einde zuinig grondwatergebruik te realiseren. Zoals ook bij de algemene regels wordt ook hier een bedrijfswaterplan vereist, conform hetzelfde model. Er kunnen met het oog op zuinig grondwatergebruik in de vergunning waterconserverende of waterbesparende maatregelen voorgeschreven worden. Voor de maximale diepten worden in beginsel de algemene regels (artikel 1) gevolgd.

Voor overige teelten zoals glastuinbouw en container- en substraatteelten zijn geen algemene regels vastgesteld, omdat deze bedrijven wat betreft de watervoorziening complexer en meer divers zijn. Bovendien gelden voor dergelijke bedrijven ook tal van andere regels op grond van de Waterwet waarvoor vergunning nodig is of voorschriften op basis van landelijke regelgeving gelden. Een voorbeeld hiervan is de gesloten waterhuishouding bij substraatteelt. Deze is primair ingegeven vanuit waterkwaliteitsoogpunt, maar heeft als neveneffect ook een zuiniger gietwatergebruik. Een ander voorbeeld is het gebruik van een retentiebassin met overcapaciteit als gietwatervoorziening in de glastuinbouw. Voor deze teelten geldt dat conform de algemene lijn voor grondwatergebruik getoetst wordt in hoeverre andere alternatieven beschikbaar zijn, waarbij getracht wordt het gebruik van grondwater en de voorwaarde die daaraan gesteld worden, zo veel mogelijk af te stemmen met andere regels en voorschriften uit andere hoofde.

Andere gebruiksvormen kunnen voorkomen als het om een gemengd bedrijf gaat dat meerdere soorten teelten omvat.Daarbij is het in de praktijk effectiever om één integrale vergunning te verlenen. De hieronder beschreven toetsingscriteria blijven gelden voor de onderdelen uit de vergunning die zich richten op gebruik van grondwater voor beregening.

Toetsingscriteria

Voor de vergunningverlening hanteren we de volgende toetsingscriteria:

  1. Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.
  2. Diepere onttrekkingen dan de algemene regels stellen worden niet toegestaan.

Ad 1) Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering.

  • Er moet aangetoond worden dat de bedrijfsomvang of bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt. Hierbij wordt getoetst aan;
    • Nachtvorstbestrijding. Het bedrijf past nachtvorstbestrijding toe daar waar geen of onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is, omdat er gelijktijdig meerdere percelen moeten worden beregend.
    • Bodemopbouw. De bodemopbouw op de locatie van het bedrijf is zodanig dat niet volstaan kan worden met de pompcapaciteit of diepte uit de algemene regels.
    • Bedrijfsomvang. Het bedrijf is beduidend groter van omvang dan soortgelijke bedrijven in Brabant, dit betekent minimaal 50% groter dan op basis van gegevens van het CBS.
  • Meer dan 1 put per 5 hectare wordt slechts toegestaan indien wordt aangetoond dat dit voor de bedrijfsomvang en bedrijfsvoering noodzakelijk is. (Bijvoorbeeld bij bedrijven met een grote geografische spreiding. De haspel kan dan wel verplaatst worden, maar er is nog wel een put in de omgeving nodig. Bij een bedrijf waar gronden bij elkaar liggen, kunnen meerdere percelen met een put bediend worden.)

Beregening van overige teelten

Voor overige teelten zoals glastuinbouw en container- en substraatteelten zijn geen algemene regels vastgesteld, omdat deze bedrijven wat betreft de watervoorziening complexer en meer divers zijn.

Hierbij wordt getoetst aan:

  • Zijn er alternatieven voor het gebruik van grondwater?
    • Maatregelen die bijdragen aan zuinig watergebruik die al genomen worden vanwege andere wet- en regelgeving zoals het Activiteitenbesluit.
    • Indien er geen reële alternatieven zijn, dan moet het grondwater zo zuinig mogelijk gebruikt worden.
    • Zijn er alternatieven beschikbaar, dan wordt gebruik van grondwater niet toegestaan.

Ad2) Diepere onttrekkingen dan de algemene regels stellen worden niet toegestaan.

De bescherming van het diepe grondwater is sinds 2000 ingezet om de kwaliteit van het drinkwater te beschermen. Een onttrekkingsput kan namelijk ook als lek gaan fungeren waardoor ondiep grondwater met mogelijke vervuiling naar de diepere lagen stroomt. Er mag daarom niet dieper dan het tweede watervoerende pakket worden onttrokken. Dat is uitgewerkt in de algemene regels. Ook voor situaties die onder de vergunningplicht vallen blijven we deze grens volgen.

Waterconserverende maatregelen/besparende maatregelen

  • Het bedrijfswaterplan is verplicht voor alle beregeningsvergunningen in overig gebied. De maatregelen uit het bedrijfswaterplan moeten zijn uitgevoerd, voordat de onttrekking mag starten.
  • Extra waterconserverende of besparende maatregelen worden opgenomen als voorschrift in de vergunningverlening.
    • Voor de vraag of er nadere eisen gesteld worden aan waterconservering en – besparing geldt in het algemeen dat de hoofdlijn van het beregeningsbeleid is: “voor wat, hoort wat”. Onder de algemene regels is dat ingevuld door het bedrijfswaterplan met een minimum aantal te nemen maatregelen. Indien niet voldaan kan worden aan de algemene regels (artikel 4 en 5) moet één extra maatregel genomen worden bovenop hetgeen conform het bedrijfswaterplan al verplicht is. Voor specifieke agrarische bedrijfstypen zijn geen algemene regels opgesteld en geldt direct een vergunningplicht. In dat geval is geen extra watermaatregel bovenop het bedrijfswaterplan vereist.

Artikel 22.5: Vergunningenbeleid voor bronbemalingen, grondwater- en bodemsaneringen, etc.

Conform de algemene uitgangspunten voor grondwatergebruik geldt ook hier dat er zo zuinig mogelijk met grondwater moet worden omgaan. Daarnaast mag er geen verdroging optreden, met name in beschermde gebieden en attentiegebieden, en mag er geen overlast of schade ontstaan aan nabij gelegen opstallen. Daarom richt het beleid zich enerzijds op minimalisatie van de grondwateronttrekking en anderzijds op retourbemaling. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
- Nieuwe vergunningen voor permanente verlagingen van de grondwaterstand voor het droog houden van gebouwen en werken, worden niet verleend. Bestaande vergunningen dienen te worden beëindigd en indien dit niet mogelijk is dient het onttrokken grondwater terug gebracht te worden in de bodem.
- Bij bronbemaling is minimalisatie van de grondwateronttrekking door het toepassen van aangepaste bouwtechnieken en zorgvuldige planning van de uitvoering van bouwwerkzaamheden een absolute noodzaak. Iedere aanvraag voor bronbemaling zal hierop worden getoetst.
- Bij onttrekkingen groter dan 0,5 miljoen m3 per jaar moet het onttrokken grondwater worden teruggebracht in de bodem. Bij onttrekkingen tussen 0,2 en 0,5 miljoen m3 per jaar dient minimaal 50% teruggebracht te worden in de bodem.
- Bij de bronbemalingen waarbij niet al het water teruggebracht wordt in de bodem dient ingeval van mogelijk negatieve effecten op de omgeving te worden onderzocht of de effecten, bijvoorbeeld middels peilbeheer, kunnen worden verminderd.
- Bij niet te vermijden bronbemalingen in de beschermde gebieden en attentiegebieden dient het onttrokken water ongeacht de omvang van de onttrekking altijd teruggebracht te worden in de bodem.
- Bij bodem- en grondwatersanering dient te worden gestreefd naar een minimalisatie van de netto-onttrekking die is te bereiken door:

    -toepassing van alternatieve saneringstechnieken (o.a. in situ-sanering);

    -toepassen van technieken om toestroming schoon grondwater te beperken (o.a. damwanden, efficiënt onttrekken);

    -het onttrokken grondwater na zuivering terug te brengen in de bodem (waarbij mogelijk snellere sanering kan plaatsvinden).

Indien het onttrokken grondwater niet in de bodem kan worden teruggebracht, moet ingeval van mogelijk negatieve effecten op de omgeving worden onderzocht of de effecten, bijvoorbeeld middels peilbeheer, kunnen worden verminderd.

Artikel 22.6: Vergunningenbeleid kleine onttrekkingen

Kleine onttrekkingen vallen voor een groot deel onder artikel 3 van de algemene regels. Het vergunningenbeleid is dan ook slechts nog op een enkel geval van toepassing.

Voor onttrekkingen met een pompcapaciteit van niet meer dan 10 m3 per uur en een put dieper dan watervoerend pakket 2a geldt dat nieuwe vergunningen niet worden verleend. Bij uitzondering kan een diepere put worden vergund indien het een bestaande put betreft die op last van overheidsingrijpen verplaatst moet worden, en de put een doel dient die het afwijken van de algemene lijn rechtvaardigt, en het voor dat doel daadwerkelijk noodzakelijk is een diepere put te slaan. Tot slot geldt dat kleine onttrekkingen alleen mogelijk zijn buiten de beschermde gebieden. Zoals ook bij grotere onttrekkingen kunnen ook bij kleine onttrekkingen meerdere putten geslagen worden die door één onttrekkingsinrichting benut wordt. Hierbij geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt. Voor volkstuincomplexen is dit al verwerkt in de algemene regel door deze op 1 put per complex vast te stellen.

Artikel 22.7: Vergunningenbeleid voor onttrekkingen voor stofbestrijding

Op grond van milieuwetgeving gelden verplichtingen voor het nathouden van bouwwegen en opslag van bulkgoederen in de openlucht (bijv. ertsen), om zo verwaaien van stof tegen te gaan. Het Activiteitenbesluit verplicht het gebruik van hemelwater dat in aanraking is geweest met de desbetreffende stoffen. Dit neemt echter niet weg dat er soms extra water nodig kan zijn. In het bijzondere geval waar er onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is of andere alternatieven, kan aanspraak op grondwater dus noodzakelijk zijn, ondanks dat het om laagwaardig gebruik gaat. Vast moet staan dat grondwater het enige alternatief is om aan wettelijke verplichtingen te voldoen. Dan geldt vervolgens dat dit grondwater alleen ter aanvulling van de waterbehoefte gebruikt mag worden indien en voor zover stofbestrijding verplicht is. Bovendien moet het grondwater zo ondiep mogelijk gewonnen worden, of er wordt grondwater gewonnen dat kwalitatief ongeschikt is voor hoogwaardig gebruik. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.

Artikel 22.8: Vergunningenbeleid voor parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden

Deze functies gebruiken veel water voor gebruik dat in het landelijk grondwaterbeleid als laagwaardig gebruik geclassificeerd wordt. Daarbij geldt dat er per situatie sprake is van maatwerk. In het algemeen geldt dat de nadruk ook hier ligt op alternatieven gebruiken boven grondwater. Als het gebruik van grondwater toch onvermijdelijk is dan dient dit zo zuinig mogelijk te gebeuren en dient het gebruik van grondwater ter plaatse te worden gecompenseerd. Dit wordt immers ook verwacht van andere meer hoogwaardige gebruiksvormen. Conform de algemene beleidsuitgangspunten wordt hierbij gekeken naar de laatste stand der techniek. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.

Specifiek voor nieuw aan te leggen sportvelden geldt dat gezien de laatste stand der techniek bevloeiing van onderaf wordt voorgestaan in plaats van reguliere beregening. Dit is een relatief nieuwe techniek voor zowel natuurgras als kunstgras die overmatige verdamping en afvloeiing van beregeningswater tegengaat en tegelijkertijd benut kan worden om het sportveld in te natte omstandigheden beter te ontwateren.

Voor parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden die liggen in beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden of invloedsgebieden Natura 2000 geldt echter dat in die gevallen het vergunningenbeleid voor agrarische beregening gevolgd wordt.

Artikel 22.9: Vergunningenbeleid voor brandblusvoorzieningen

Brandblusvoorzieningen zijn vergunningplichtig als de brandblusvoorziening niet valt onder de algemene regel voor brandblusvoorzieningen, bijvoorbeeld omdat een grotere diepte wenselijk gevonden wordt dan in de algemene regel is toegestaan. Op dat moment wordt primair getoetst in hoeverre brandblusvoorziening daadwerkelijk in afwijking van de algemene regels aangelegd moet worden om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 en andere regelgeving op het gebied van brandveiligheid en brandweerzorg. Daarnaast wordt ook bezien in hoeverre extra waarborgen nodig zijn ten behoeve van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. In de vergunning worden verder in beginsel basisvoorwaarden van dezelfde aard opgenomen als in de algemene regels.

Artikel 22.10: Overgangsbeleid

Voor vergunningen die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van de keur en de algemene regels geldt de overgangsregeling die in de keur is opgenomen. Voor zover van toepassing blijven daarvoor de oude beleidsregels van toepassing gedurende de overgangstermijn.

Bij voortijdige wijziging van een bestaande vergunning geldt dat, indien en voor zover de vergunde onttrekkingsinrichting wordt gehandhaafd en niet onder de algemene regels valt, dit middels een revisievergunning geformaliseerd wordt conform het nieuwe beleid. Dit geldt ook voor gevallen waarin de overgangstermijn afloopt en de vergunde onttrekkingsinrichting niet (geheel) past binnen de algemene regels.

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Copyright 2018 - Alle Rechten Voorbehouden disclaimer